Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 31 May 2008
Toen ik mijn laatste frietje tussen mijn tanden schoof, wist ik van het begin tot het einde wat er in het katern zou komen te staan. De tweekoppige hoofdredactie had mij gevraagd om een katern in het najaar te coördineren: artikelen uitzetten, de voortgang bewaken, de beeldredactie voeren, dat soort zaken.
Zulke projecten besteedt deze redactie uit. Met een bezetting van slechts één vaste redacteur en de rest freelancers (inclusief de hoofdredacteur) is er geen tijd om zelf de extra katernen te maken.
Zo’n project hoort bij mijn favorieten. Veel vrijheid, veel fantasie, veel vakmanschap. Hoe kleiner het team, hoe soepeler de samenwerking. De wederzijdse afhankelijkheid is immers groot. Er is dus weinig tijd nodig om spijkers met koppen te slaan.
Zo ook in dit geval. Aan een lunch in een restaurant tegenover de redactie hadden we genoeg om de inhoud in elkaar te zetten. Nog voor onze bestelling was opgenomen, hadden we de onderwerpen op papier staan.
Toen de borden op tafel kwamen, waren we juist bezig met de het maken van werkafspraken. En toen de koffie kwam, hadden we net alle deadlines in onze agenda’s gezet.
Toen ik tien minuten later op de snelweg reed, liep ik over van tevredenheid. Er waren tijden dat ik een week moest zeuren om een artikel te mogen schrijven. Nu had ik tijdens een etentje een heel katern gekregen.
Vroeger keek ik altijd met een schuin oog naar dikke deuren die onder het prikken van een vorkje de poet verdeelden. Nu ben ik er zelf zo’n type. Het voelt hartstikke fijn.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 28 May 2008
Vanavond kreeg ik een uitgenodiging voor een beachparty. Dat lijkt gezelliger dan het is. Een pr-bureau nodigt elk jaar alle klanten en journalisten in haar netwerk uit. Vorig jaar mocht ik ook al komen. Toen fuifden wij in het Amsterdamse bos, dit keer ben ik uitgenodigd in Vinkeveen. Natuurlijk ga ik, want een borrel sla ik niet snel over.
Maar net als vorig jaar vraag ik mij af wat ik er te zoeken heb. Er zijn honderden gasten en daar ken ik er een stuk of drie van. Geen hond zal mij missen als ik besluit bij vrouw en kinderen te blijven. Als ik toch ga loop ik langs al die groepjes kletsende mensen die met hun rug naar mij toe staan.
Netwerken op grote bijeenkomsten ligt mij niet zo, ook al heb ik ooit een verhaal geschreven hoe je het doen moet. Ik knoop onderhoudende gesprekken aan zonder mij op te dringen. Zo hoort het ook, weet ik ondertussen. Nooit jezelf proberen te vermarkten, zo luidt de eerste les die je leert over netwerken.
Maar leuk is anders. Al snel verlies ik mijn interesse in al die vlakke babbels. Nog nooit heb ik één artikel extra verkocht door zulk soort anonieme party’s af te lopen.
Toch ga ik. Het is goed als mensen niet alleen je naam kennen, maar ook je gezicht. Soms kom je ze na jaren weer tegen in een heel andere rol. Dan kan het nuttig zijn als je iets gemeenschappelijks deelt.
Zo had ik maandag een man de telefoon die vertelde dat ik ooit voor hem had geschreven. Tegenwoordig werkte hij voor een communicatiebureau dat een persbericht bij mij wilde opdringen.
Ik kon mij die man niet herinneren, maar hij wist zeker dat we hadden samengewerkt.. Toen ik later zijn bericht kreeg via de e-mail heb ik een tijdje naar zijn naam gekeken. Ik herkende inderdaad de naam, maar ik wist niet meer waarvan. Vergeten doe ik hem voorlopig niet meer.
Borrels, party’s en evenementen zijn natuurlijk niet bedoelt om je te vermaken. Het is keihard werken om je te onttrekken aan vergetelheid. Zichtbaarheid is een groot goed, ook in de journalistiek.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 21 May 2008
“Je kunt een interview krijgen op donderdag, met de directeur en de voorzitter van de ondernemingsraad.” Een genereus aanbod, zo’n dubbelinterview waar ik niet om had gevraagd. Ik wilde alleen een reactie op een recente ontwikkelingen in de organisatie.
Het aanbod voor een dubbelinterview rammelde. Op donderdag was ik voorbij mijn deadline.
“Dan plaats je het artikel toch in het volgende nummer.” zo probeerde de persvoorlichter mij over te halen.
“Maar ik laat het nieuws toch niet een week wachten?” wierp ik tegen.
“Ach, er is eigenlijk geen nieuws. Alles heeft al in de krant gestaan, dus wat maakt het uit?”
Natuurlijk maakt het wat uit. Nieuws is niet je oude moeder die je ook de volgende week wel kunt bezoeken. Het is vluchtig en daarom kan het niet wachten. Dus drong ik aan op een reactie deze dag nog. Die had ik nodig om mijn verhaal rond te krijgen.
Daar wilde de persvoorlichter niet aan meewerken. Zonder reactie geen verhaal, dacht hij. En als hij die reactie een poosje rekt, is het verhaal genoeg afgekoeld om geen brandwonden te veroorzaken.
Ik heb dat misleidende dubbelinterview laten lopen. Maar wat doe je als je bronnen zwijgen? Dan zoek je een andere. Bijvoorbeeld bij de vakbond, die vaak goed is geïnformeerd over tal van organisaties.
Ook in dit geval. Ik kwam binnen een uur uit bij een kaderlid die me graag wilde vertellen van de hoed en de rand. Ik mengde zijn reactie met informatie uit mijn archief en daar had ik opeens een heel aardig nieuwtje. Een tikkeltje eenzijdig misschien, maar ik schreef erbij dat de organisatie noch de ondernemingsraad wilden reageren.
Toen ik aan het einde van de middag mijn verhaal opstuurde, had ik het gevoel een goede daad te hebben verricht. Weer een geheim ontrukt aan de peilloze diepten van de doofpot. Je moet er voor konkelen, dreigen, jatten, liegen en bedriegen. Maar de waarheid is goed voor iedereen, daarom mag het.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 20 May 2008
‘Wil je mij helpen alsjeblieft?’ Even wist ik niet waarover het telefoontje ging, maar toen herinnerde ik mij de e-mail van vrijdag. Een collega wilde hulp bij het schrijven van een redactieformule. Omdat de nood kennelijk hoog was bij mijn collega, hebben we vanavond even gebeld.
Even wat uitleg hierover. Het gaat om een relatieglossy van een bedrijf. Er zijn al drie edities gedrukt, maar de klant is eigenlijk niet zo tevreden over het resultaat. De eindredacteur moest maar eens een nieuwe redactieformule gaan maken. Maar toen ze dat gedaan had, was de klant niet tevreden.
Wat de broncode is van een softwareprogramma, is de bladformule van een blad. Een bladformule beschrijft de doelgroep, het doel van het blad, de kernboodschap en de manier waarop deze wordt overgebracht. De vormgeving en inhoud in onderwerpen en rubrieken vloeien bijna automatisch voort uit deze formule.
Met het maken van redactieformules ben je in de kraamkamer van de journalistiek. Hier maak je de mooiste bladen. Maar er is ook kans op een misbaksel. Is zo’n formule niet scherp, dan is er discussie of zelfs twijfel over vrijwel elk artikel in een blad. Er wordt gezanikt over koppen, intro’s foto’s en zelfs tussenkoppen. De willekeur regeert.
Ik heb een half uurtje op de eindredacteur ingepraat. Daarna kon ze er weer vol goede moed tegenaan. Kijken of het kalf nog uit de put getrokken kan worden.
Ik vrees het ergste. Een redactieformule die niet aanslaat is als een mislukte maaltijd. Daar zet je geen tweede keer je tanden in, zelfs niet met een schepje suiker en een klontje boter toe.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 15 May 2008
Dat krijg je ervan als je hengelt naar grote projecten: ze komen ook. Een paar weken geleden werd mijn bedrijfje in Bussum uitgenodigd om mee te doen aan een pitch, een officieel offertetraject. Een paar dagen later landde er een dikke enveloppe op mijn bureau. Daarin zaten richtlijnen voor de offerte, het communicatiebeleid van de organisatie en allerlei varianten voor de huisstijl.
Als freelancer heb ik nooit te maken gehad met zo’n zwaar traject voor nieuw werk. Je krijgt een hoofdredacteur of een uitgever aan de lijn en je praat vijf minuten over de prijs. Een soort handjeklap waarbij je eigenlijk van tevoren wel weet wat er uit gaat komen.
Maar dit was anders. Een prominente organisatie die een digitale nieuwsbrief wilde en die de aanbesteding volgens het boekje deed. Gelukkig heb ik al wat ervaring met digitale nieuwsbrieven, dus wist ik er iets vanaf.
Tot diep in de nacht heb ik zitten ploeteren om een fatsoenlijke offerte te maken die alle vragen van de organisatie beantwoordde. Telkens ploos ik de richtlijnen en het communicatieplan van die klant weer door, want ik wilde geen fouten maken. Een week later werd ik gebeld of ik ook een referentie kon aandragen. Dus heb ik gauw die ene klant gebeld waarvoor ik die ene nieuwsbrief had gemaakt. Die wilde best meewerken.
Vanmorgen kwam het verlossende telefoontje. De opdracht gaat naar ons. Ik was aanvankelijk sprakeloos, want het is een hele omvangrijke opdracht waarvoor ik een handvol mensen moet inschakelen.
Maar ik was toch vooral trots, ook omdat ik concurrerende aanbieders blijkbaar heb afgeschud. Het meest intrigerend is het besef dat journalistieke kennis zo veel waard is. Als freelance journalist lijken je artikelen vaak net radertjes in een machine. Kleinigheden die weinig invloed hebben op het grote geheel. Tot je een heel pakketje van dat spul verkoopt. Dan blijkt opeens hoe diep bedrijven er voor in de buidel willen tasten. Een machtig gevoel.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 9 May 2008
Na een half uur wachten was ik het zat. De afspraak bij Randstad was niet mijn idee geweest. Een paar onderzoekers wilden me graag hun bevindingen presenteren. Had natuurlijk ook via e-mail gekund, maar ze wilden graag de hoofdredacteur ontmoeten. Omdat een deel van mijn functie nu eenmaal representatief is, had ik ingestemd met een afspraak.
Het begon allemaal heel normaal. “Neemt u maar even plaats”, zei de beleefde receptionist nadat ik uit de parkeergarage kwam. Na tien minuten kreeg ik argwaan. Mannen in pak, secretaresses, werklui, iedereen stiefelde langs, behalve mijn contactpersoon.
Na twintig minuten ging ik maar eens informeren waar mijn afspraak bleef. Die bleek er niet te zijn. “Ik heb zijn voicemail ingesproken”, zei de man beschroomd.
Natuurlijk had hij mij meteen moeten inlichten, dan had ik geweten waar ik aan toe was. De zenuwachtige receptionist begon een beltocht en ontdekte dat er meerdere mensen van Randstad bij mijn afspraak aanwezig zouden zijn. Helaas kon hij die niet traceren. Na een half uur vond ik het welletjes en leverde ik mijn bezoekerspas in.
Dat afspraken uit de hand lopen heb ik veel vaker meegemaakt. Files, uitgelopen vorige afspraken, er kan wel eens wat misgaan. Ik ben wel eens bijna een uur te laat gekomen. Gelukkig biedt een telefoon dan uitkomst en informeer je elkaar.
Het gaf mij een grimmig soort voldoening om de deur achter mij te kunnen dichtsmakken. Even afreageren op de pootjesgeef-fabriek waar ik al jarenlang mijn rondjes draai. Altijd de formele lachjes, de handdrukken, de standaard grapjes, het verplichte kopje koffie en daarna het geleuter. Best leuk allemaal, maar o zo irritant als je agenda overloopt en je hoofd er niet naar staat.
“Wat moet ik zeggen”, vroeg de receptionist nog.
“Dat ik wegga”, zei ik.
Ik was zo getergd dat ik in de parkeergarage twee keer langs de uitgang reed voordat ik door had dat ik hier naar buiten moest.
Nog geen half uur later had ik een verdrietige Randstad aan de telefoon. Een misverstand, excuses, excuses. “Wij zaten op u te wachten boven. Kunnen we nog iets afspreken?”
“Doet u maar een voorstel via de e-mail”, zei ik, minder ijzig dan ik zou willen. De pootjesgeef-fabriek staat nooit stil.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 7 May 2008
Bloedheet is het in mijn kantoor. Dat krijg je als de zon de hele dag schijnt. Maar ik kan tenminste zeggen dat ik een heuse glaswand heb. Hier werk ik zo’n jaar of tien nu. Een deel van mijn huis heb ik ingericht als kantoor. Dat betekent dat we een van de kamers op de eerste en enige verdieping hebben gesplitst. De voorkant is van mij, drie ruiten op een rij. Aan de ene kant staat mijn bureau, aan de andere kant heb ik een apart kamertje gebouwd. Daar staan mijn administratie, mijn archief, mijn printer en wat prullen.
Inmiddels is het in dit kantoor een puinhoop geworden. Stapels omgevallen boeken op de vloer, een overgelopen papiermand, een bureau met torens paperassen die ineenzakken als ik er iets tussen zoek. Mijn laptop staat als een eiland in de ravage.
Eens zal ik het hier opruimen, zeg ik elke dag tegen mijzelf. Haast heeft het niet, want sinds een paar weken heb ik een kantoor buiten de deur. Tegenwoordig werk ik in Bussum, een kwartiertje rijden. Elke dag kus ik mijn vrouw gedag, om tegen een uur of zes de familie weer te begroeten.
Meer dan twintig jaar heb ik als freelancer vanuit mijn eigen huis gewerkt. Zat ik midden in de nacht nog te ploeteren, terwijl de familie beneden tv keek of zo. En ’s morgens stapte ik uit bed, bijna meteen het werk in.
Nooit had ik gedacht dat het anders zou worden. Ik lachte om collega’s die zworen bij een kantoor buiten de deur. Dat gezeur over scheiding tussen werk en privé. Twintig jaar geleden heb ik eens een kantoortje buitenshuis gehad, maar ik nam al gauw steeds meer werk mee naar huis.
Maar nu ben ik om. Een strategische zet, want ik draai steeds meer projecten waarbij ik samenwerk met anderen. Het is wennen, ik voel me nog een beetje belachelijk als ik ’s ochtends naar kantoor ga.
Maar bij mijn familie staan de duimen omhoog. Pa is een stuk minder chagrijnig, aldus mijn dochter. Je bent nu tenminste echt thuis, zegt mijn vrouw. Ik moet toegeven, aan werken denk ik niet meer als ik binnenkom.
Maar weg zijn ook de kleine hebbelijkheden van het thuiswerken. Geen rondje meer met de honden, even tv kijken tussendoor, een beetje lummelen, stiekem een dutje doen overdag of in de tuin hangen als het mooi weer is. In een echt kantoor daarentegen kun je weinig anders doen dan werken. Saai.
Maar ik heb weer wat om naar te verlangen: hele dagen thuis hangen.
|