Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 27 March 2008
Vlak na Pasen moest ik naar een begrafenis. Ik zegde er een afspraak voor af en schoof een paar deadlines door. Hoewel het voor mij geen trieste gebeurtenis was, bleef het toch een begrafenis.
Zo’n gebeurtenis is voor iedereen een excuus om alle afspraken af te zeggen. Ook voor een freelancer. Dat zijn de schaarse momenten van overmacht waar iedereen ruim begrip voor heeft. Voor een freelancer eigenlijk het enige excuus om verstek te laten gaan.
Het andere verschoningsrecht wordt van kracht als je in het ziekenhuis belandt. Zelfs dat is twijfelachtig. Tien jaar geleden moest ik eens een afspraak bij een klant afzeggen omdat ik in het ziekenhuis lag. Er kon zelfs geen beterschapswens af. Die klant was ik daarna kwijt.
Maar bij een begrafenis is er warm begrip en medeleven alom. Veel schoot ik daar niet mee op. De volgende dag had ik een agenda die twee keer zo vol was. Het werk van gisteren lag nu op mijn bordje.
Als er iets is waar ik werknemers om benijd, zijn het al die vrije dagen op kosten van de zaak. Tegelijk vraag ik mij wel eens af waar de zaak die gulheid van betaalt. In mijn praktijk gaat het niet zo gemakkelijk. Elke vrije dag voel ik in mijn portemonnee.
Het mooie van ondernemerschap is dat je horizon wat betreft uitdagingen en inkomen oneindig is. Ambitie is de aanjager. De beperkende factor is de discipline. Die zorgt ervoor dat je de juiste balans tussen werk en privé bewaakt, dat je je werk netjes en op tijd aflevert en dat je goed zorgt voor je administratie.
Van mijn klanten krijg ik veel gedaan. Ze zijn flexibel en aardig. Maar ze helpen mij niet bij de organisatie van mijn werk en mijn leven. Wil je dromen volgen, word dan freelancer. Maar wil je dat er voor je wordt gezorgd, neem dan een baan.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 22 March 2008
‘Wat vind u de ergste dag van het jaar?’ vroeg de radioreporter. Ik onderbrak mijn werk om even te luisteren naar de uitzending. De bekende ondernemer op de radio had ik een jaar geleden geïnterviewd. Hij had toen heel veel over zichzelf verteld.
Hij zegt vast dat het zijn verjaardag is, dacht ik.
‘Mijn verjaardag’, antwoordde de man. Ik was trots op mijzelf, want ik had hem dus goed ingeschat. Het aardige van veel interviews zijn niet zozeer de antwoorden, maar de mensen. Vooral degenen op hogere posities zoeken vaak onbewust naar een luisterend oor, iemand met wie zij gedachten kunnen uitwisselen die zij in hun directe omgeving moeilijk kwijt kunnen.
De gesprekken waarin mensen een tip van hun persoonlijke sluier oplichten, blijven mij doorgaans bij. Dan zie ik achter de succesvolle directeur de vermoeide man die zoekt naar het doel in zijn leven.
Onverstandig misschien om journalisten zoiets precairs toe te vertrouwen. Maar toch logisch. In een interview leg je de relatie met degene tegenover jou om je boodschap kwijt te kunnen.
Een beetje acteren hoort erbij tijdens een interview, maar de relatie die tot stand komt heeft altijd iets oprechts. Ook van mijn kant, hoewel ik de vrijheid moet houden om mijn verhaal naar waarheid op te schrijven.
Het is daarom goed om niet al te dik te worden met je bronnen. Toch sprak ik laatst af met een topambtenaar die ik had geïnterviewd om nog eens een informele borrel te drinken om verder te kletsen.
Vrienden worden met bronnen is mijn werk niet, maar toch vind ik dit krenten in de pap. Ik leer van de mensen die mij een kijkje gunnen in hun werelden en zij inspireren mij. Werken is mijn hobby, roepen sommige mensen. Natuurlijk liegen ze. Ze zijn dol op al die niet ter zaken doende dingen er omheen. Bij mij is het niet anders.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 18 March 2008
Hoe krijg ik het allemaal gedaan, vroeg ik mij af. Toen ik vrijdag naar de dokter moest, wist ik dat ik mijn deadline niet zou halen. Natuurlijk had mijn opdrachtgever daar begrip voor. Nou ja, dacht ik, dan maar na het weekend.
Waarna ik dus vandaag met de gebakken peren zat. Want vandaag had ik een sliert deadlines: drie berichten, een artikel van 750 woorden, eentje van 1300 woorden en dan nog dat verhaal dat vrijdag is blijven staan.
Eigenlijk wist ik dat het niet zou lukken. Maar het alternatief was dat ik in het weekend stukjes zou gaan uittikken. Ik heb mij voorgenomen dat alleen nog te doen bij uiterste noodzaak. Een gemiste deadline reken ik daar niet toe. Een radeloze eindredacteur misschien wel, maar daarvoor was het nog te vroeg.
Dus zit ik vanavond te dubben hoe ik eruit moet komen. Morgen zit ik opnieuw met een brok werk dat ik vandaag niet heb afgekregen. Als ik dat heb afgemaakt, kom ik morgen niet door mijn andere werk heen. Dat moet dus weer een dag later. Enzovoorts.
Terwijl de hond aangeeft dat het tijd is om naar buiten te gaan, broed ik op een list om uit deze Gordiaanse knoop te geraken. Wat kan ik zoal overhevelen naar het einde van de week zonder de woede van een of andere redactie uit te lokken?
Het gaat niet lukken. Er zijn van die avonden dat er geen ontkomen aan is: overwerken. Terwijl ik lusteloos de ene na de andere zin typ, bedenk ik hoe ik wat uitstel kan bietsen. Dan kijk ik de hond aan, die dankbaar mijn blik beantwoord. Het beest moet uit. Dus pak ik mijn jas en help mijn trouwe viervoeter. Ik heb weer een half uurtje gewonnen. Het zal nog een lange nacht worden.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 17 March 2008
Journalisten mogen niet emotioneel betrokken zijn bij het onderwerp waarover ze schrijven. Flauwekul, dacht ik altijd. Je hebt altijd een mening over datgene waarover je schrijft, dat is zelfs noodzakelijk. Maar eenmaal achter de pc ben ik professioneel genoeg voor een objectieve en kritische benadering.
Maar afgelopen week moest ik op reportage in het stadsdeel waar ik woon. Dan ben je vooral al goed geïnformeerd, dat is het voordeel.
Maar het nadeel is juist de persoonlijke band met het onderwerp. Die gaat maar niet voorbij. Toen ik de mensen interviewde en de plaatsen bezocht die van belang waren, merkte ik dat neutraliteit moeilijk was. Mijn vooringenomenheid sloop zelfs in de vragen die ik stelde.
Dat is op zich niet erg. Bedenkelijker is het dat ik niet neutraal achter de pc zit. Ik ga mijn eigen achtertuin niet afkraken, dus kijk ik vooral naar de positieve feiten.
Wat niet wil zeggen dat ik een slecht artikel schrijf. Het probleem is alleen dat die vooringenomenheid een professionele hindernis is. Wellicht dat lokale verslaggevers hiermee vaker te maken hebben, maar voor mij was de ervaring nieuw. De enige keer dat ik er last van had, was toen ik een familielid wilde interviewen. Toen die al te veel inmenging eiste in het artikel, heb ik hem zonder meer uit geschreven.
Toch was mijn betrokken rapportage geen nare ervaring. Het leerde mij hoe betrokken mensen zijn bij zaken die ze nauw aan het hart liggen. En hoe pijnlijk het is als het journaille daar zonder mededogen overheen stampt. Eerlijkheid en waarheidsvinding horen natuurlijk bij een journalist. Maar dat wil niet zeggen dat verbondenheid een minderwaardig gevoel is waarmee je geen rekening hoeft te houden.
Wat blijft hangen is dat ik mij opnieuw realiseer dat empathie een belangrijke journalistieke competentie is. Dat de waarheid voorgaat, wil niet zeggen dat je gevoelloos moet zijn.
Maar bovenal ben ik blij ben dat ik zelf schrijf, en dat er niet over mij wordt geschreven. Dat zou pas een ontnuchterende ervaring zijn.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 9 March 2008
Ik was er al voor gewaarschuwd: het zou haar eerste keer zijn. “Ze is best zenuwachtig”, zei het communicatiebureau. Dat bleek wel toen ik de woordvoerster belde. “Ik had verwacht dat u al eerder zou bellen”, zei ze zenuwachtig. Om er daarna aan toe te voegen: “Ziet u, dit is de eerste keer dat ik dit doe.”
Tja, eens sta je je eerste journalist te woord. Ook persvoorlichters moeten het leren. Het communicatiebureau had mij deze dame in de maag gesplitst. Een reactie op mijn verzoek om een toelichting op een persbericht. Zo’n vraag is altijd riskant. Voor je het weet word je van de ene naar de andere bron doorgestuurd. Foute boel als je berichten maakt. Berichten schrijven is in de journalistiek het equivalent van de lopende band. Snel en op routine. Heb je een vraag, dan wil je het antwoord in een enkel telefoontje van een minuut.
Dat mislukte toen het communicatiebureau mij doorstuurde naar de woordvoerster. Die klonk schuw toen ze opbiechtte dat ze voor het eerst in haar leven een journalist tegenover zich had.
Er zat niks anders op dan dit meisje er doorheen te slepen. Het valt best mee, het is niet eng, een paar vraagjes maar, zo gebeurd, kan niks misgaan.
Ik moet iets verkeerds hebben gezegd, want het werd alleen maar erger. “Ik zit nu in de auto, mag ik u terugbellen?” klonk het benepen.
Vooruit dan maar.
“Tot hoe laat kan ik bellen?”
Tot half vijf.
“Kan het niet morgen?”
Nee.
“Wilt u mij dan de vragen vast per e-mail sturen?
Okay.
“Dan zal ik kijken wat ik kan doen.” Dat laatste zinnetje klonk opeens wel vaardig.
Om half vier belde ze terug. “Weet u, ik ga over twee dagen met zwangerschapsverlof. Mijn hoofd staat er niet naar. De directeur beantwoordt uw vragen om vier uur.”
Een half uur later deed de directeur wat je van hem mag verwachten. De oneliners en soundbites rolden eruit in een paar minuten. Ik vroeg mij af waarom hij een woordvoerder in dienst had die sneller bevalt dan het woord voert.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 7 March 2008
“Laten we afspreken in het Hilton. Daar kun je zo lekker rustig zitten zonder dat anderen mee luisteren.”
De onderzoekster waarmee ik had afgesproken voor een interview had een andere voorkeur dan ik. Het Hilton is een koude omgeving met luxe stoelen en dure koffie. Inderdaad luistert niemand mee en zit je niet in de herrie. Het uitzicht is prachtig, zo’n waterpartij met een paar afgemeerde bootjes. Een echt stadsgezicht.
Toch vind ik het er maar niks. Een werkhol waar de bediening plichtmatig glimlacht en andere bezoekers hun zakelijke deals nog eens doornemen. Een barak van zakenmensen die elke authenticiteit smoort.
Niet eens een praktische, want ik zit laag in mijn diepe stoel terwijl het tafeltje eigenlijk te hoog is. Ik kan de laptop alleen bedienen als ik ver naar voren buig of op het puntje van mijn stoel ga zitten.
Interviewen in hotel of een café doe ik niet vaak. De meeste interviews zijn telefonisch. Als ik al op locatie afspreek, is dat doorgaans het bedrijf waar mijn bron werkt.
Maar soms wil een bron iets anders, en dan pas ik mij aan. Bij voorkeur zit ik dan in een wat kleinere tent met een beetje muziek, een vriendelijke bediening en heerlijke koffie. Achtergrondrumoer vind ik geen bezwaar, mits het niet te luid is.
Dat is niet alleen prettig, maar ook functioneel. Een gezellige omgeving schept een band. Nuttig om de bron beter te doorgronden, wat bijdraagt aan het interview. Een omgeving waar een bron verandert in een soldaat zonder individualiteit, maakt het daarentegen een stuk moeilijker om dichtbij te komen.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 5 March 2008
Er zijn van die dagen dat je het niet treft aan de telefoon. Het begon gisteren, toen ik een Amsterdams stadsdeel belde. Ik vroeg naar de afdeling persvoorlichting. De telefonist stond voor een raadsel. Persvoorlichting? “Wie wilt u precies spreken?”
Daar sta je dan met je mond vol tanden als journalist. De meeste organisaties houden er persvoorlichters op na, een functie om de pers op te vangen en te woord te staan. Soms weet de telefooncentrale niet wat een persvoorlichter is, dan vraag ik naar de afdeling communicatie. Altijd komt het goed.
Behalve bij de telefonist van het stadsdeel. “Hebt u een naam voor mij?”
Nee, ik weet geen naam, daarom vraag ik juist naar de persvoorlichting. De man verbond mij door, op goed geluk blijkbaar (”er werken hier zo veel mensen”).
De volgende schakel was een vrouw, met ongeveer dezelfde reactie. “Persvoorlichting? Wie wilt u spreken?” Waarna ongeveer dezelfde conversatie zich herhaalde. Die leidde gelukkig tot iets meer informatie: “De mensen zijn naar huis, het is vijf uur geweest.”
Ik keek op de klok en zag dat het vier minuten over vijf was. Mijn fout. Dom om te denken dat de afdeling dan nog bezet is.
Vanmorgen ging het opnieuw mis toen ik een IT-bedrijf belde. “Persvoorlichting?” Het leek wel alsof er een besmettelijke ziekte was uitgebroken onder telefonistes. “Communicatie dan?” probeerde ik.
“Communicatie? Nooit van gehoord.” Deze vrouw bleek van een callcenter te zijn en wist van toeten noch blazen. “Ik heb een persbericht ontvangen van het bedrijf”, legde ik uit. “Daar staat uw telefoonnummer onder.” Na vijf minuten in de wacht te hebben gehangen, werd ik doorverbonden met Almere.
Dit soort ervaringen is schaars, want bedrijven hebben hun communicatielijnen tegenwoordig wel op orde. En toch zijn er her en der steeds meer hobbels. Bedrijven die alleen bereikbaar zijn via online contactformulieren (geen telefoonnummer te zien), slecht geïnformeerde callcenters, onwillige secretaresses (”Stuurt maar een e-mail”) of voorlichters die niet voorlichten (”Hij zit in vergadering”).
Soms is dat gebrek aan dienstverlening een kwestie van onhandigheid. Maar soms schuilt er meer achter. Dan lijkt het een beleid om de pers zo veel mogelijk in een keurslijf te persen. Vragen moeten overzichtelijk blijven, zodat ze op ordelijke wijze beantwoord kunnen worden. Sommige bedrijven zien de pers niet meer als een wederpartij, maar als onderdeel van hun eigen organisatieprocessen die zo efficiënt mogelijk georganiseerd moeten zijn.
Ik heb moeite met deze mentaliteit, die zegt dat de pers achteraan moet sluiten. Mijn lezers zijn hun klanten. Die staan voorop zo lang ze afnemen. Maar als ze vragen stellen via de pers, is het afgelopen met de privileges. Juist dan moet je vooraan staan. Daar zorg ik dan wel voor, met persvoorlichting of anders zonder.
|