Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 25 February 2008
De man die mij vanmiddag belde was een journalist die hoopte dat ik werk voor hem had. Hij stuurde een kort cv mee plus een paar artikelen van zijn hand die dienden als ‘best practice’.
Doorsnee vakbladen, zag ik, en doorsnee artikelen die gewoon de feiten op een rijtje zetten. Eigenlijk is dat nu net niet het type journalist dat ik niet zoek.
De vraag is wie ik dan wel zoek. Jaren geleden heb ik eens een matrixje gemaakt van soorten journalistieke artikelen. De meest eenvoudige is de soort waarin alle feiten staan, het oertype journalistiek dat je als junior leert.
Feit = Artikel
Type twee is het selecteren van de feiten. Je neemt niet alles mee, maar pikt het meest relevante eruit.
0,6 feit = Artikel
Iets moeilijker, want je moet iets weglaten, terwijl je datgene dat je erin laat impliciet als belangrijk markeert. Dit vraagt al een beetje denkwerk en kennis van zaken. We zitten nog steeds in de sfeer van de berichten, maar ook eenvoudige artikelen horen hier wel toe, zoals interviews.
Type drie is het mengen van feiten met informatie die de journalist zelf uit diverse bronnen aanvoert. De inbreng van de feiten uit de centrale bron neemt sterk af.
0,3 feit + Externe Aanvoer = Artikel
Dit zijn de meer complexe berichten en de langere artikelen die de feiten combineren met ander nieuws. Zwaardere interviews horen hier ook toe, want tijdens het gesprek brengt de journalist externe informatie in die de geïnterviewde dwingt zijn verhaal bij te stellen. De journalist laat zien hoe de feiten aansluiten bij ander nieuws.
Type 4 is heel moeilijk. De journalist gebruikt de feiten niet meer als centrale bron, maar als aanleiding. Het verhaal is hoofdzakelijk gebaseerd op een gevarieerde informatiestroom die de journalist selecteert om zijn verhaal rond te maken.
Aanleiding + 0,1 feiten + Externe Aanvoer = Artikel.
Hier gaat het om analyses en achtergrondverhalen. De journalist schetst een trend op basis van een paar feiten die hij als ‘kapstok’ gebruikt.
Journalisten die zich willen onderscheiden, moeten dus vooral laten zien dat ze type 4 onder de knie hebben. Dat kun je alleen als je de andere varianten ook beheerst. Deze journalisten liggen echter niet voor het oprapen. Gelukkig maar, want onderscheid moet er zijn op deze markt.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 21 February 2008
“Wij overwegen de mogelijkheid om de schade te verhalen.” Wat een veelbelovend einde van het persbericht waarin een bedrijf melding maakte van een gewonnen rechtszaak. Die laatste zin over schade verhalen deed mij de telefoon pakken. Welke schade precies? Om hoe veel geld gaat het? Wanneer wordt de schade verhaald?
Eigenlijk wist ik van tevoren de antwoorden wel. Inderdaad kwam ik geen lor verder. “Dat zijn we allemaal nog aan het onderzoeken.”
Degene die mij afpoeierde was niet de directeur, die volgens het persbericht bereikbaar was voor meer informatie. Hij liet de hete aardappel liggen voor zijn secretaresse, die uitlegde dat ze niks kon uitleggen.
“Dus misschien komt er pas na een half jaar een mogelijke vervolgactie?” probeerde ik nog.
“Misschien wel”, luidde het slappe antwoord. Waarna zij voorstelde om mij te bellen als er meer informatie was.
Van die vrouw hoor ik nooit meer wat, haar belofte ten spijt. Het was een doorzichtige truc om mij te laten ophouden met zeuren. Natuurlijk kon ik doorvragen, maar er zat gewoon niks in.
Dat maak ik niet voor het eerst mee. Bronnen hebben er een handje van om met allerlei krasse informatie aan te komen. Maar zodra je doorvraagt, blijkt die boterzacht te zijn. Een groot deel van mijn werk bestaat dan ook uit boterjacht: het achterhalen van informatie die smelt zodra je er een vuurtje onder zet.
Net als vaak bij een jachtpartij hoop je tussen al die loze informatie ook iets te vinden dat de moeite waard is. Het is speuren, krabbelen, prikken, duwen, trekken en klimmen. Altijd is er wel ergens bruikbare informatie.
Als ik ’s avonds uitgeblust op de bank hang, kijk ik vaak terug op een zware boterjacht. Maar vaak heb ik dan wel ergens dat klompje goud gevonden waarvan ik weer een mooi verhaal heb gemaakt.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 19 February 2008
“Goed dat je er bent, kunnen we gelijk even de agenda’s trekken.” Joviaal liep de man op mij af, zijn agenda openklappend. Dezelfde man die ongeveer een maand geleden met duizend excuses aan de telefoon hing: “Sorry, ik moet afzeggen”. Een foutje in zijn agenda, hij was zijn vakantie ‘vergeten’.
Afspraken afzeggen hoort er een beetje bij. Het mag eigenlijk niet, maar het gebeurt toch. Vanmorgen nog probeerde ik met iemand een nieuwe afspraak te maken nadat zij eerder had afgezegd (te druk). Morgen doe ik hetzelfde met een directeur die ook annuleerde (ziek).
Vleiend is anders. Alsof mijn wederpartij mij niet belangrijk genoeg vindt. De mensen die mij uit hun agenda’s schrappen laten immers wel hun andere afspraken doorgaan. Dat neem ik tenminste aan.
Wat te doen als je er zo opstaat? Ook afspraken gaan afzeggen. Vorige week belde ik een fotograaf af (ik zat in Spanje). In januari had ik ook al zoiets gedaan met een auteur (te druk). Onbedoeld zorgt al die afzeggerij een soort rangschikking in je relaties. Degenen die er echt toe doen laat je niet in de kou staan. Wie niks in de melk te brokkelen is de klos. Zodra je dus de luxe hebt om afspraken af te bellen, staan er nog mensen onder je in de pikorde.
Afspraken afzeggen is dan ook bijna therapeutisch. Lijd je aan een falend professioneel zelfvertrouwen, maak dan een paar afspraken die je later afzegt. Hoe dichter je dit doet op de eigenlijke afspraak, hoe stoerder je bent.
Zorg er dan wel voor dat je niet afhankelijk bent van die klant. Hoe begripvol mensen ook zijn, professionele wraak ligt altijd op de loer. Zo zie je maar dat therapie altijd een prijs heeft.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 13 February 2008
“Kunnen we weer eens samenwerken?” Een half minuutje staarde ik naar het bericht dat mij via de e-mail bereikte, voordat ik een positief antwoord gaf. Niet dat ik twijfelde, hoor. Maar het was zo mooi.
Ik ging er namelijk vanuit dat ik weinig nieuwe klanten meer zou trekken. Over krap anderhalf jaar word ik 50. Mijn inschatting was dat je op die leeftijd steeds minder werk toegeschoven krijgt. Hoofdredacteuren worden namelijk jonger. Die willen niet werken met journalisten die bijna hun vader kunnen zijn.
Maar mijn verwachting komt niet uit. Binnen twee jaar heb ik drie nieuwe, vaste klanten gekregen. De oude willen maar niet weggaan, zodat ik genoodzaakt ben een straf werktempo aan te houden. Ik kan ze niet teleurstellen.
Mijn loopbaanplanning raakt hierdoor in de war. Net als elke veertiger heb ik de laatste jaren hevig getobd over mijn professionele toekomst. Wil ik nog langer freelance journalist zijn? Welke uitdagingen zijn er nog? Om mij heen zag ik de een na de andere freelancer afhaken. Ze werden voorlichter, hoofdredacteur, communicatieadviseur of coach.
Toen ik dertiger was had ik ook al zo’n periode van zware twijfel. Het denkproces heb ik toen nooit voltooid omdat ik het te druk had.
Nu dreigt hetzelfde scenario, en eigenlijk vind ik dat best leuk. Ooit werd ik journalist omdat ik graag journalist wilde zijn. Nog steeds wil ik graag journalist zijn. Soms is het vermoeiend, soms is het saai, soms is het frustrerend.
Maar het is nu eenmaal het mooiste vak op aarde. Helaas, stoppen is mij niet gegund. Over tien jaar zal ik daar nog eens over gaan nadenken.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 13 February 2008
“Wist je dan niet dat je overal vandaan met je laptop kunt werken?” Natuurlijk wist ik het, want mijn vrouw had mij dat al vaker onder mijn neus gewreven. Toch was ik benieuwd of het echt zou werken, zo’n mobiel kastje waarmee je zelfs op de hei kunt internetten.
Dus was het eerste wat ik deed toen ik vandaag op mijn hotelkamer in Barcelona kwam, mijn dongle in mijn pc stoppen. In minder dan een minuut tijd zat ik op het mobiele netwerk van mijn provider. Negen berichten rolden mijn digitale brievenbus in.
Ik zette mijn telefoon in mijn houder en belde naar huis. Terwijl ik een paar berichten beantwoordde, vertelde ik over de intercom enthousiast dat ik mijn kantoortje geïnstalleerd had. Natuurlijk kan ik ook in het hotel gewoon internetten, maar niet op mijn kamer.
Geen van mijn klanten merkt de komende dagen dat ik werk vanuit Spanje. Telefonisch in de lucht, de mail beantwoord ik stipt. Alleen die ene afspraak die ik morgen had staan, heb ik moeten verzetten.
Terwijl mijn zoon op de GSMA-beurs staat (hij is 16 en loopt daar een paar dagen stage), zit ik vlakbij Park Guell hetzelfde te doen als dat ik gewoonlijk in Amsterdam doe. Ik verheug mij er al op om morgenochtend mijn krantje online te lezen en een kopje koffie te zetten nadat ik hem heb afgeleverd op zijn tijdelijke werkadres. Reizen is best leuk tegenwoordig.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 12 February 2008
De man die zich telefonisch aan mij voorstelde deed geen belletje rinkelen. Tot hij de uitgever noemde waarvoor hij werkte. Aha, dat blad. Ik ken de hele redactie. Maar hem kende ik niet. “Ik ben accountmanager”, zo hielp hij mij uit de brand. Een advertentieverkoper dus. Maar wat moest die van mij?
Als een goede verkoper kwam hij snel tot de kern. Over een uurtje kwam hij bij een bedrijf waaraan hij een advertentie wilde verkopen. Van de redactie had hij gehoord dat ik een persbericht van dat bedrijf had ontvangen. “Ga je daar iets mee doen in het blad?”
In die ene seconde stilte die volgde op zijn vraag, overzag ik de belangen. Mijn antwoord kon duizenden euro’s waard zijn voor de uitgever. Als ik “nee” zei, dan moest de verkoper zich voorbereiden op een moeilijk gesprek. Waarschijnlijk zou hij onverrichter zaken weer huiswaarts gaan. Niks zouden zijn dure uren hebben opgeleverd.
Maar als ik “ja” zei, ging hij ijzersterk de onderhandelingen in. Bedrijven die advertentiepagina’s kopen, zijn net zo dol op redactionele aandacht als junks op een spuit.
“Maak je geen zorgen”, stelde ik de accountmanager gerust. “Ik heb een mooi bericht gemaakt over dat bedrijf en het verschijnt in nummer vier.”
De opluchting die mij over kilometers afstand bereikte via de telefoonlijn was aandoenlijk. Waarschijnlijk had ik mijn steentje bijgedragen aan de omzet van de uitgever, de baanzekerheid van de verkoper en de tevredenheid van de beleggers. Die zouden goedkeurend knikken over hun investering in dit blad. De hoofdredacteur zou weten dat zijn redactiebudget ook volgend jaar weer veilig is.
En ik mag ook blijven, want ik heb een nuttig bericht geschreven. Soms is het heel fijn als je zo veel mensen blij maakt met een eenvoudig stukje tekst. Meestal pakt het anders uit.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 7 February 2008
Daar ging ik even voor zitten, de necrologie van Marharishi Mahesh Yogi in het Parool. “De goeroe van de Beatles” stond er als kop. Met daaronder een foto uit 1967 van de vier grijnzende popmuzikanten die de eveneens lachende goeroe omringden.
Necrologieën zijn vaak leuk. Je kunt er veel informatie in kwijt die je kunt schikken zo je wil. Dit soort historisch georiënteerde artikelen is daardoor vaak prikkelend, creatief en origineel. Maar dan moet je het wel goed doen.
Dit stuk was mager. Even de grootste onvolkomenheden op een rijtje.
- Hoewel de kop de relatie met de dode en de Beatles onderstreept, komt dit thema pas aan het eind van het verhaal aan de orde. Dit is toch juist waar de goeroe zijn bekendheid aan dankt.
- In de eerste alinea gaat het over het controversiële karakter van Marharishi (rijkaard ipv asceet). Maar daarna volgt een lang, saai cv waarin staat waar deze man heeft gestudeerd en gewoond. Die geldbelustheid komt pas aan het eind van het verhaal opnieuw ter sprake, evenals zijn seksuele interesses. Waarom dan pas?
- De goeroe lag niet zo goed in Limburg, waar hij woonde. Hij zette de sloophamer in het oude klooster waar hij zijn onderkomen had, hoewel dat een monumentale bestemming had. Geen letter erover.
- Er is geen boodschap. We weten al lezend wie deze goeroe was, maar niet waarom we dit moeten lezen. Dat hij de grondlegger was van de transcendente meditatiebeweging, is onvoldoende voor een halve pagina. Er sterven immers dagelijks allerhande grondleggers. In het hele stuk zijn die Beatles ook niet meer dan passanten.
- Het verhaal is nog warrig ook. Drie keer staat hier dat hij in Vlodrop woonde, op drie verschillende plaatsen in het artikel (begin, midden en einde).
Zo’n slecht stuk, en dat nog wel in de krant. Als freelancer lever ik aan kranten en bladen. De redacteuren daar zijn mijn opdrachtgevers. Zij wrijven mij hun kwaliteitsstandaards stevig onder mijn neus. Wijk je af, dan laten ze dat weten. Je leert al snel: vaste redacteuren zien freelancers als collega’s die lager staan in de pikorde.
Heel kinderachtig natuurlijk, maar als deze moraalridders zelf in de fout gaan, schiet ik zowel geïrriteerd als verheugd omhoog. Stelletje luie loonslaven, die komen weg met half werk. Dan lever ik beter werk. Mijn dag is weer goed.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 2 February 2008
“Wat voor auto rijd jij tegenwoordig?” vroeg mijn collega. We dronken gisteravond een borrel, ergens in het Gooi. We zien elkaar niet zo vaak, dus informeer je naar elkaars werk, de vrouw, de kinderen en ook de auto.
Mijn collega rijd grote bakken. Heeft hij nodig omdat hij vier kinderen heeft. Ik heb twee kinderen, dus mijn auto’s zijn iets kleiner. Er zijn meer verschillen. Mijn collega rijd nieuwe modellen en ik oude. Gemiddeld gaan mijn auto’s twee jaar mee. Momenteel is het een Nissan Primera stationcar uit de jaren negentig..
Auto’s zijn net zoiets als voetballen. De een raakt er niet over uitgepraat, de ander moet er niks van hebben. Ik hoor bij de laatste categorie. Autorijden vind ik leuk, maar de auto zelf zie ik vooral als een gewoon vervoermiddel. Het poetsen van de heilige koe in het weekend is mij vreemd.
De onvermijdelijke discussies over dit thema ga ik uit de weg. Ze draaien vaak uit op het welgemeende advies om een nieuwe auto te kopen.
Daar zit iets in. Een auto heb ik nu eenmaal nodig voor mijn werk. Je gereedschap moet goed zijn, en een oude auto is niet betrouwbaar.
Maar ik vind dat een auto z’n geld niet opbrengt. Binnen de kortste keren zitten er onverklaarbare krassen op, of erger. Het is weliswaar een noodzakelijk werktuig, maar het blijft een kostenpost. De enige keer dat ik een nieuwe auto kocht, werd er ingebroken en reed ik het ding voor zijn vierde jaar in de prak.
Wat voor alternatief heb je dan? Reizen met het openbaar vervoer is tijdrovend. Wachten, overstappen, onvindbare taxi’s, je word er ook nog eens chagrijnig van. Ik spreek echter wel eens collega’s die zweren bij het openbaar vervoer. “Kun je lekker werken in de trein.” Die paar keer dat ik dat deed, zaten mensen me nijdig aan te kijken omdat ik zat te bellen tussen het volk.
Dus toch maar een oude auto. Een deukje meer of minder valt niet op en hij wordt niet gejat. Voor de kosten hoef je het niet te laten.
Maar de nadelen zijn soms toch wel irritant. Toen ik gisteravond huiswaarts reed in een hevige plensbui, viel een van de ruitenwissers uit. Ik moest me in bochten wringen om door een stukje heldere ruit de weg te volgen. Toen ik veilig thuis kwam, had ik een stijve nek.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 1 February 2008
Er was een tijd dat ik graag congressen bezocht. De deskundige bronnen lagen er voor het oprapen, evenals de reacties van bezoekers. Als jonge journalist vond ik alles interessant. Een dagje uit en ik had weer een verhaal rond.
Inmiddels weet ik hoe hol congressen kunnen zijn. De thema’s klinken uitdagend, maar de sprekers vertellen vaak weinig nieuws. Leeg gepraat in deftige zalen waar de koffiekannen glanzen in het gedimde licht, gedecoreerd met bladen vol cake, terwijl de pepermuntjes naast de waterkannen op de tafels de suggestie van gastvrijheid versterken.
Het congres dat ik gisteren in het Kurhaus bezocht, paste naadloos in deze categorie. Een bomvolle zaal die luisterde naar een minister, die vertrok zodra ze het applaus in ontvangst had genomen. Sprekers die zo veel open deuren intrapten dat ik last kreeg van plaatsvervangende schaamte.
Zal ik weggaan, dacht ik halverwege, toen ik het voor de zoveelste keer niet meer uithield en door de gangen van het Kurhaus dwaalde, starend naar de woeste zee die op het nabije strand beukte. Mensen met badges op hun revers die eveneens naar de zee staarden, dachten er kennelijk hetzelfde over. Maar misschien dat er in de afsluiting nog iets zat.
Toen ik luisterde hoe een consultant in zijn afsluitend woord opriep om toch vooral bij hem een training te volgen, begreep ik dat ik had misgegokt. Het grote aantal lege stoelen leerde mij dat andere bezoekers een betere inschatting hadden gemaakt. Zelfs de gratis pennen op de tafels hadden ze laten liggen.
|