Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 31 October 2007
“Ik heb een baan als redacteur gevonden, dus ik schrijf niet meer voor je.” De e-mail dateert al weer van eind augustus. Leuk voor haar, dacht ik, dat zij haar geluk in een vaste baan heeft gevonden.
Maar nu heeft zij zich weer gemeld met de vraag of ze een buitenlandse reportage mag schrijven. Want die baan, zo vervolgde zij, was niks geworden. Nog voor het einde van de proeftijd was ze opgestapt. Een slechte hoofdredacteur, zo was haar oordeel.
Zou hij echt zo slecht zijn? Een auteur die niet door één deur kan met de hoofdredacteur, trekt altijd aan het kortste eind. In die zes jaar dat ik een tijdschrift leid, zijn er zes van mijn freelancers afgehaakt. Eentje ging zelf weg, die wilde wat anders doen. Ik lunch nog wel eens met haar. Een ander heb ik gebeld en gezegd dat ik niet meer met hem wilde werken. Ik vond zijn verhalen niet deugen. Vijf zijn er buiten beeld geraakt omdat ik ze niet meer belde, wat eigenlijk een verkapte vorm van afdanken is.
Afhakers hebben dus bijna altijd gemeen dat de hoofdredacteur ze niet meer wil hebben. Maar de reden voor die weigerachtige houding neigt naar willekeur. Prutswerk leveren de afhakers zelden. Soms doen ze het goed, soms niet. De blijvers wijken daar eigenlijk niet zo veel vanaf.
Relaties tussen hoofdredacteuren en freelancers schrijvers liggen vaak aan vertrouwen. Bij sommige freelancers denk je bij voorbaat dat het gaat tegenvallen. Ze zijn niet enthousiast genoeg, je moet te vaak ingrijpen, ze begrijpen de opdrachten niet of ze zijn niet aanspreekbaar op hun werk.
Toen ik nog geen hoofdredacteur was, vond ik vaak dat hoofdredacteuren een slecht en selectief beleid hanteerden voor het aansturen van freelancers. Ze briefen te laat, ze verdiepen zich onvoldoende in de onderwerpen die ze uitzetten, ze zijn soms ondeskundig en ze reageren soms willekeurig.
Ik ben ook zo geworden, vrees ik. Ik heb mijn lievelingetjes, ik brief soms ook (te) laat en reageer soms niet op hun e-mails. Jammer eigenlijk. Ik had me stellig voorgenomen om het anders te gaan doen.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 25 October 2007
“Ik ben een beetje overwerkt, dus doe ik het even rustig aan.” Ik kreeg dit mailtje in de nazomer van een freelancer die ik wilde inschakelen voor een klusje. Laat ik hem eens bellen, dacht ik dus.
Mijn telefoontje heeft anderhalve maand op zich laten wachten. Gisteren belde ik pas, maar stuitte op zijn voicemail. Vandaag spraken wij elkaar telefonisch. De man is natuurlijk al weer zo goed als de oude. Dat komt ervan als je een goed woordje zo lang uistelt. Dat neemt niet weg dat ik blij was om hem gesproken te hebben.
Waarbij ik er goed op lette niet te vragen of hij werk wilde aannemen. Vriendelijkheid is alleen maar aardig als het belangeloos is. Toen ik heel lang geleden zelf eens oververmoeid uit was gevallen, belde er een paar weken later een hoofdredacteur. Hoe het ging? En of ik al een artikel wilde schrijven. Destijds vond ik het leuk, maar nu ik terugkijk zie ik vooral opportunisme. Even gemakkelijk kun je worden afgedankt.
Uitval is een permanente bedreiging voor freelancers. De inkomsten stokken en redacties zoeken vervanging. Velen verklaren zich natuurlijk loyaal en geduldig, maar je moet maar afwachten of ze woord houden. Een jaar of zeven geleden eindigde ik na een ongeluk in het ziekenhuis. Mijn vrouw belde mijn opdrachtgevers dat ik ietsje later zou leveren. Eentje was chagrijnig dat het werk bleef liggen.
Ergens kan ik de onverschilligheid wel begrijpen. Relaties met redacties zijn immers zakelijk, ook al drink je samen nog zo veel kopjes koffie. Hoofdredacteuren hebben wel meer aan hun hoofd dan kaartjes, bloemen of fruitmanden te versturen.
Een gevoel van verlatenheid is daardoor nooit ver weg. Het bestaan als freelancer is al zo solitair. Zodra het tegen zit, sta je er alleen voor. Natuurlijk, familie staat klaar. Maar ooms, tantes en de buren zijn geen freelancers.
Wat te doen? Aarzel niet om bevriende freelancers aan te klampen. Ze kennen het knallen van de zweep en weten dat zij de volgende keer aan de beurt zijn. Toen ik een paar jaar geleden overspannen raakte, stak een collega mij een ruim hart onder de riem. De meeste freelancers die ik ken zijn onderling solidair, maak er gebruik van. Mij kunnen jullie in ieder geval bellen in geval van nood.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 24 October 2007
Op de middelbare school haalde ik zevens, zesjes of lager voor Engels. Gelukkig heb ik lang genoeg op school gezeten om de taal onder de knie te krijgen. Een Engelstalig congres, een interview met een Amerikaan, het lukt allemaal wel. Maar een talenknobbel, die zal ik nooit worden.
Maar misschien gaat dat toch nog veranderen, want tegenwoordig ploeg ik dagelijks door Engelstalige media heen. Financiële vakbladen die gaan over hypotheekcrises, boekhoudschandalen, richtlijnen voor accountants, IFRS-wetgeving, beurswaakhonden en meer van zulk moois. Elke dag maak ik er berichten over voor een gespecialiseerde nieuwssite. Zelfs in het Nederlands moet ik de broninformatie drie keer lezen om het te begrijpen. In het Engels is het nog erger.
Ik heb geen idee welk niveau van talenkennis normaal is. Soms hoor ik mensen die zich in het Engels even vlot uitdrukken als in hun eigen taal. Maar ik ben in het buitenland ook wel eens een Nederlandse zakenman tegengekomen die duizelde van hele dagen converseren in het Engels. Ik zit ergens daar tussenin. Het lukt, zonder dat ik het een makkie vind.
Sluipenderwijs is de Engelse taal behoorlijk opgerukt in ons land. Vroeger was het alleen verweven in de muziek, maar in steeds meer delen van het maatschappelijk verkeer kom je het tegen. Neem internet, daar is het niet meer weg te denken. Veel informatie is nog alleen in het Engels beschikbaar. Wie de taal niet beheerst heeft een probleem.
De toekomst in Nederland is dat we niet alleen het Engels moeten kennen, maar dat we het bijna zo goed moeten beheersen als onze moedertaal. Het lezen van een Engelse krant moet net zo gladjes gaan als het lezen van de Telegraaf.
Het is dus wel goed voor mijn toekomst dat ik elke dag met mijn neus in de Wall Street Journal en de Financial Times zit. Maar liefde? Het zal nog jaren duren voordat ik mijzelf tweetalig kan noemen.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 22 October 2007
Het klingeltje van inkomende e-mail kon ik even niet gebruiken vanochtend. Een uiterst vriendelijke vrouw van een communicatiebureau, die vroeg wanneer ik het artikel dat ze had ingestuurd eindelijk zou afdrukken.
Haar naam staat op een memo die boven mijn bureau hangt. Nog zes andere namen staan op dat gele papiertje. Allemaal bureaus en bedrijven die graag in het blad willen waarvan ik hoofdredacteur ben. Ze sturen met z’n allen meer in dan ik kwijt kan. Af en toe komt er dus een naam bij op het memo. Nog even en ik kan een voetbalelftal samenstellen van auteurs in de wachtkamer.
Dat ik ze in de ijskast zet, vinden ze op zich niet erg. Maar wel willen zij weten waar ze aan toe zijn. Omdat ik niet genoeg tijd heb hun stukken allemaal snel te lezen, houd ik ze vaak aan het lijntje. Meestal door te zeggen dat ik bezig met andere artikelen. Maar na opnieuw een week stilte werkt dat excuus niet meer.
Ik neem mij al wekenlang voor om een leesochtend te organiseren. Dan kijk ik al die verhalen door en laat de auteurs weten wat er gaat gebeuren. Maar elke keer als die ochtend aanbreekt, heb ik belangrijker zaken aan mijn hoofd. En onvermijdelijk volgt er dan een e-mail of een telefoontje van zo’n bankzitter.
Het probleem is dat veel van die verhalen niet zo leuk zijn. Veel propaganda, matig geschreven, te lang, te kort. Dat is logisch, want de auteurs zijn geen journalisten. Bovendien weten zij ook niet zo goed wat ik wel of niet wil. Onze eindredactie moet er dan ook stevig in roeren, voordat deze artikelen publicabel zijn. Die wetenschap nodigt niet uit om eens een avondje lekker in deze verhalen te duiken.
Hoe moet ik dit vraagstuk oplossen? Gewoon, door toch een paar uur er voor uit te trekken. Morgenochtend zal ik het doen, neem ik mij voor. Het verhaal van die aardige mevrouw heb ik om zes uur gedaan. Nu de rest nog, het moet een keer lukken.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 20 October 2007
Een collega legde vandaag een tijdschrift voor mij neer. Een artikel dat ik had uitgezet bij een freelance journalist was afgedrukt in een vakblad voor zorgmanagers. Geen letter gewijzigd, zo te zien. Zelfs die ene tikfout was blijven staan. Alleen de kop, die was anders.
Gelukkig dat ik het niet zelf had geschreven, dacht ik. Inleveren bij een redactie die alleen kijkt of het op lengte is en of er geen rare dingen in staan. Om het daarna gauw door te sturen naar de vormgeving.
Zo werkt dat achter de schermen van veel bladen, vooral de kleinere. Redacties screenen binnenkomende artikelen op hun juistheid en bruikbaarheid, zorgen voor een goede kop en intro, en dat is het dan. Belangstelling voor de inhoud? Alleen bij de betere redacties.
En daar lig je dan krom voor als freelance journalist. Uren ben je bezig de juiste woorden te vinden, zinnen te laten lopen en alinea’s te laten aansluiten. Daarna check je nog eens grondig of alles klopt. Als je overtuigt bent van je vakwerk, laat je het gaan. Waarna een ongeïnteresseerde redactie het als het zoveelste brok tekst in de machine gooit.
Desinteresse is de schaduwzijde van de journalistiek. Redacties zijn net zo min begaan met de verhalen die ze afdrukken als chirurgen met de mensen achter de lichamen die ze opereren. Ik ken eindredacteuren die niet eens weten waar sommige artikelen die ze hebben bewerkt over gaan. Toch hebben ze de hele tekst gezien en bewerkt, maar zonder notie van nemen van de betekenis van het verhaal.
Als beginnend freelance journalist dacht ik heel lang dat het anders was. Maar als ik op redactieborrels eens begon over een bepaald artikel, werden de blikken al gauw glazig en stokten de gesprekken. Redacteuren moeten wel. Het gaat om procedures, anders komt de krant niet op tijd uit. Inhoud is van ondergeschikt belang.
Na al die jaren ben ik eraan gewend. Onlangs kreeg ik een klaagbrief van een auteur die zich miskend voelde door de behandeling van haar artikel. De brief stuurde ze naar mijn uitgever. Die gebruikte de brief als kladje om er een paar aantekeningen op te maken die ik nodig had. De aantekeningen nam ik thuis over. De klaagbrief ligt nog ergens ongelezen tussen een stapel oude kranten. Die ga ik nog wel eens lezen als ik tijd heb.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 19 October 2007
Laat ik eens een overhemd aantrekken, dacht ik vanmorgen. Meestal draag ik shirts, soms met een jasje er over. Maar gisteravond viel mijn blik op mijn lichtblauwe overhemd. Ik was een beetje verrast toen die tevoorschijn kwam tijdens het opruimen van mijn kantoor. Ik had het ding helemaal niet gemist.
De pret ging niet door. Het kledingstuk zat onder de kreukels. Voordat de strijkbout warm was, ontdekte ik ook nog een paar flinke vlekken. Zeker te lang in mijn kantoor laten slingern. Ik had het ding dan ook gevonden achter een paar stapels papieren.
Af en toe heb ik het er een beetje moeilijk mee, het selecteren van representatieve kleding. Mijn kast ligt er weliswaar vol mee. Maar hoe vaker je de deur uitgaat, hoe meer je moet wisselen. Een jaar of vijf geleden ging ik vaak in pak naar een interview of een zakelijke afspraak. Maar nu ik de vijftig nader, wil ik opeens wat minder formeel door het leven. Het valt echter niet mee om telkens iets origineels te bedenken.
Mijn overhemden zijn het slachtoffer van geworden van mijn veranderende modebewustzijn. Die lichtblauwe is eigenlijk gedateerd, dacht ik toen de staat van het textiel tot me doordrong. Zo heb ik er meer die volgens mij hun beste tijd gehad hebben. Hetzelfde geldt voor mijn pakken, vrees ik. Alleen mijn stropdassen zijn nog van deze tijd.
Mijn belangstelling voor mijn garderobe is vanouds matig. Pas sinds ik getrouwd ben is de kwaliteit van mijn kledingkast op een acceptabel niveau beland. Maar plezier in kleding, nee, zo ver zal het niet komen. Representatieve kleding blijft voor mij een uniform. Fraai misschien, maar uiteindelijk slechts instrumenteel. Toen ik als jong journalistje in mijn eerste pak hees, verbaasde het mij hoe snel mijn gevoel zich aanpaste. Opeens voelde ik mij een stuk belangrijker. Kleding is van invloed op acceptatie en gezag, dat is algemeen bekend.
Maar als ik op persconferenties en congressen om mij heen kijk, dan lijken mijn collega’s daar niet van doordrongen. Tenminste, niet de mannen onder de journalisten Twintig procent draagt een pak, ruim de helft zonder stropdas. Zeventig procent draagt een spijkerbroek en tien procent iets anders. Bovenop die spijkerbroek een flets overhemd, type C&A, soms gecompleteerd met een zwart colbert of een pullover.
Zouden ze zelf beseffen hoe saai het is? Maar misschien koesteren journalisten hun imago van onopvallende outsiders. Of ze hebben gewoon geen vrouw.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 17 October 2007
“Sorry schat, ik moet overwerken.” Een paar maanden geleden heb ik thuis beloofd dat ik me keurig aan kantoortijden zou houden. Aan het einde van de dag is mijn werk klaar. Tot nu toe lukt mij dat vrij aardig. Alleen als mijn huisgenoten weg zijn, smokkel ik wel eens een uurtje.
Maar eerlijk is eerlijk, dit ritme bevalt mij uitstekend. Ik maak normale werkdagen en heb geleerd om mijn tempo aan te passen aan de lengte van de dag. De avonden zijn voor mijzelf, ik kan op tijd naar bed en ik voel me uitgerust de volgende dag.
Maar vandaag ging het dus anders. De werkdag was opgegaan aan kleine berichten en wat regelwerk. Dat nam toch zo veel tijd in beslag, dat ik het laatste artikel niet meer op tijd af kreeg. Morgenochtend moest het af zijn. Dat werd dus overwerken.
’s Avonds werken, dat had ik zo lang niet meer gedaan, ik vond het niet eens erg. Boven mijn bureau staat tegenwoordig een televisie (gekregen op mijn verjaardag). Die staat meestal uit omdat ik ’s avonds ergens anders zit. En overdag is er weinig interessants op de buis. Maar vanavond heb ik alles gezien: het Journaal, Nova, Opgelicht, de Rijdende Rechter, Law & Order. Al zappend en kijkend regen de woorden zich onder mijn vingers aaneen tot zinnen, die weer tot alinea’s werden geweven.
Toen ik klaar was zat ik te kijken naar Raymann is Laat. Ik vond het welletjes, hoe schier onmerkbaar ik de inspanning ook had geleverd. Toch had ik het gevoel van een gemiste avond. Wat kon ik nog in huis? Een boek lezen, onderuit op de bank hangen, alles zou ten koste gaan van mijn broodnodige nachtrust. Ik miste opeens dat stukje vrije keuze.
Ik weet nu: nachtwerken zal me nooit meer goed liggen. De avond heb ik nodig als voorbereiding op een volgende slopende werkdag. Mijn hoogtepunt voor morgen: lunchen met een collega.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 15 October 2007
Zondag lag ik de hele dag op bed. Griep of zo. Als dat maandag maar goed gaat, dacht ik. Maar ’s avonds merkte ik dat het al iets beter ging. Vandaag zat ik zo waar om half negen achter mijn bureau. Gezinsleden die bezorgd vroegen hoe het ging, kon ik geruststellen.
Aan het eind van de dag had ik op een redelijke manier gedaan wat ik moest doen.
Ziekte en het werk van een freelancer, die twee gaan niet samen. Geen werk, geen omzet. Bovendien staat de agenda vaak vol met deadlines die je niet zo maar opzij kunt schuiven. Helaas. Altijd ben ik jaloers geweest op werknemers die zich ongestraft ziek melden met behoud van loon en bloemen van de baas. Als ik ooit een baan neem, zo heb ik mijzelf beloofd, ga ik mij eerst drie weken ziek melden.
Ik ben echter weinig ziek. Eén keer heb ik in het ziekenhuis gelegen na een ongeval. Vrijdag erin, maandag was ik weer thuis. Maar meestal gaat het om griepverschijnselen en verkoudheden. Daar snotter ik mij doorheen. Afspraken die niet strikt nodig zijn, schrap ik dan. Soms ga ik tussendoor een paar uur naar bed.
Maar helemaal stoppen met werken, dat gaat meestal niet. Leuk is natuurlijk anders. Opeens baal je van de druk van opdrachtgevers, van al die afspraken die je niet kunt gebruiken, van het onvermogen om voluit te gaan, de afhankelijkheid van een gestel dat de ziekteverwekkers de baas moet kunnen, en wel snel. Het werk loopt niet, de inspiratie is weg en de zingeving wordt ook nog eens op de proef gesteld. Dan de day after, wanneer je nog verzwakt poogt het werkritme terug te krijgen.
Maar het ergste is het bijkomend chagrijn. Dat gefoeter. Niks is goed, alles is naar. Maar ik heb er mee leren leven. Ik weet inmiddels dat klagen en ziekte hand in hand gaan. Dus weet ik dat ik nu nog niet helemaal de oude ben. Morgen beter, hoop ik.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 12 October 2007
“In het afgelopen nummer stond niet mijn naam bij mijn artikel, maar die van mijn collega.” De droge mededeling vond ik mijn digitale postvakje. Ik stuurde dus een keurige e-mail terug, met een korte uitleg en excuses.
Ik had geen idee hoe die naamsverwisseling is gebeurd, maar als leider van het blad ben ik verantwoordelijk. Dan past nederigheid. Geen enkele freelancer is blij als hij/zij niet de eer krijgt die hem/haar toekomt na het schrijven van een verhaal. Natuurlijk, je krijgt je geld heus wel. Maar een naamsvermelding onder een artikel is toch ook belangrijk.
In de eerste plaats omdat het een vorm van reclame is. Zonder naamsvermelding kom je nooit in de zoekmachines van het internet. Ten tweede heeft naamsvermelding te maken met emotie. Een artikel is een creatief product waaraan de naam van de meester verbonden dient te zijn.
Toen mijn allereerste artikeltje ooit werd afgedrukt (HN Magazine, 1983), liep ik de dagen erna elke boekhandel binnen om mijn eigen verhaal op te slaan. Elke keer keek ik dan glunderend naar mijn in vet gedrukte naam.
Zo mooi als die eerste keer wordt het nooit meer, maar toch. Drie keer heb ik meegemaakt dat een redactie mijn naam vervalste. De eerste keer (WerkZaken) was ik woedend, vooral omdat de hoofdredacteur deed alsof ik mij aanstelde. De tweede keer (ComputerPartner) drukte de redactie de naam van mijn vrouw af onder het verhaal. Waarschijnlijk omdat ik het verhaal via haar e-mailadres had ingestuurd. We konden er om lachen, vooral omdat de eer in de familie bleef.
De laatste keer was Management Team de zondaar. Toen was ik helemaal niet woedend, want ik kon heel goed met de redactie opschieten en de redactrice had berouw.
Bij onze eindredacteur heb ik vandaag nog even navraag gedaan naar de oorzaak van de naamsverwisseling. Zoals het een goede eindredacteur betaamt, stuurde zij duizend excuses richting de arme auteur. Zulke dingen gebeuren. Een ongeluk zit in een klein hoekje, ook in de journalistiek.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 11 October 2007
“Dag schat, hoe was je dag vandaag?” Lief van mijn vrouw om me zo belangstellend te begroeten toen ik vanmiddag om een uur of vijf thuis kwam. Het antwoord kostte me moeite. Wat had ik vandaag eigenlijk gedaan?
Niet dat ik had zitten lummelen, ik heb de hele dag gewerkt. Vandaag zat ik op mijn kantoor in Bussum. Daar schreef ik berichten, ik interviewde hier en daar, ik beantwoorde e-mail en verstuurde er zelf ook een aantal. Tenslotte zette ik een opdracht uit bij een journalist en maakte ik een afspraak met een collega. Kortom, heel doorsnee.
Dit zijn niet de dagen dat ik moe word. Ik was zelfs om een uur of vijf thuis. Dankzij de routine gaat mijn werk me gemakkelijk af. Maar er is ook een keerzijde. Ik dreig het bijzondere van mijn beroep uit het oog te verliezen. “Interview jij elke dag?” zo vroeg gisteren een kind dat bij ons op bezoek was. Ik legde haar uit dat interviewen zo’n beetje dagelijks werk voor mij is, anders kom ik niks aan de weet.
Toen ik het zo uitlegde vond ik het zelf nog spannend klinken ook. Journalist is een van die beroepen met een charisma. Mensen denken vaak dat ik in verre oorden kom, beroemde mensen interview en artikelen schrijf die aardverschuivingen veroorzaken. Zo heb ik het inderdaad vaak ervaren, soms nog wel.
Maar het komt ook voor dat ik gewone berichten en verhalen schrijf waar kraak noch smaak aan zit. De krant moet nu eenmaal vol en vaak is nieuws niet meer dan gewone informatie. Op slechte dagen ga ik het ook als gewoon zien. Dan betrap ik me er wel eens op dat ik tijdens een telefonisch interview mijn e-mail lees of zo. En mijn bron maar enthousiast praten.
Zo moet het dus niet. Dit is de vloek van de routine. Gewenning ligt op de loer. Die kan uitmonden in alledaagsheid. Voor je het weet zit je in een tredmolen. Zie er dan maar eens uit te komen.
|