het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Stuntelige telefonistes, onhandige secretaresses

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 30 August 2007

 

Na mijn vakantie was ik vanmiddag terug op mijn deeltijdkantoor in Bussum. Veel koetjes en kalfjes, zo gaat dat. “Kun je niet eens iets schrijven over die irritante manier waarop mensen je aanspreken aan de telefoon?” vroeg een kantoorgenoot. “Hoe was uw naam ook al weer?”, zo citeerde hij.

Inderdaad, dit soort rare vragen krijg ik ook vaak. Mijn naam was en is Henk, wil je dan graag zeggen. “Ik zou graag een afspraak willen maken” is ook zo’n verbaal misbaksel. Prima, denk je dan. Dan bellen we morgen om die afspraak te maken.

Telefonische bloopers zijn zo talrijk dat ik er meestal niet op let. Behalve als ik chagrijnig ben. Dan heb ik de neiging om onhandige telefonistes en secretaresses aan te pakken. Nog zo’n irritante: ik introduceer mij bij de secretaresse. Ik noem mij naam, ik zeg dat ik journalist ben en dat ik bezig ben met dit of dat artikel. Ik praat duidelijk, ben beleefd, volledig en bondig. Zegt die secretaresse: “Van welke firma bent u?” Lang, lang geleden heb ik eens een secretaresse uitgekafferd. Fout natuurlijk. Toen ik haar later tegenkwam, kroop ik door het stof.

Dit is de ruis van ons vak. Meer telefoonwerk, meer internet, steeds sneller de informatie bij elkaar harken. Je kunt zo meer werk verzetten. Maar deze werkwijze verdraagt weinig obstakels. Stuntelige telefonistes, onhandige secretaresses, ongeïnteresseerde bronnen, zieik al snel als buitenproportionele obstakels.

Onterecht eigenlijk. Secretaresses en in mindere mate telefonistes kunnen bondgenoten zijn van de journalist. Het is dus productiever om vriendjes met ze te worden, dan denken ze soms graag met je mee. Dan weet die telefoniste wie je het beste kan spreken en zorgt de secretaresse dat je snel wordt teruggebeld. Journalistiek is soms ook een beetje judo. Versla je vijand met zijn eigen krachten.

 


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Begroeting als glijmiddel

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 29 August 2007

 

“Beste meneer Henk Vlaming.” Zo’n begroeting verwacht ik van een maatje uit mijn sociale netwerk. Die is dan nog olijk ook. Maar als aanhef van een zakelijk bericht dat ik via e-mail ontving, ben ik deze bewoordingen nog niet eerder tegengekomen.

Een communicatiebureau kwam er vanmorgen mee aan. Niet een kleintje, maar een gereputeerde. Verschillende gedachten gingen door mij heen. Ik ben een beste man. Ik ben geen heer, geen mijnheer, maar een meneer. De afzender spreekt mij aan met mijn volledige naam. En dat allemaal door die vier woordjes ter begroeting.

Meneer Henk Vlaming, het klinkt als iets van de jaren twintig. Maar de afzender was allerminst op de melige toer. Ik had hem namelijk eerst aan de telefoon. Nooit eerder gesproken of gezien, dus de onorthodoxe familiaire begroeting kon ik niet goed plaatsen. Ik vroeg me af of ik met een beginner te maken had. Aan de stem te horen was de afzender toch een senior, minstens een dertiger. Misschien iemand die lang werkloos is geweest, dacht ik nog.

Toch komen dit soort vreemde begroetingen vaker voor. In de categorie Onhandig is “Beste Henk Vlaming” degene die ik het meest tegenkom. Ik heb dan een beetje moeite om de afzender voor vol te zien. Als je de regels niet kent, weet je vast een heleboel andere dingen ook niet, denk ik onbewust.

Het schetst maar weer eens hoe belangrijk een introductie is. Daar zijn vast regels voor die ik niet ken, maar waarop ik mij toch baseer. Er zijn diverse varianten die allemaal iets zeggen over de aard van de relatie. Hier staan er een aantal op een rijtje

  1. Geachte heer Vlaming

  2. Mijnheer Vlaming

  3. Goedemorgen

  4. Geachte

  5. Dag Henk

  6. Hallo Henk

  7. Henk

  8. Hoi

Nummer 1 is het meest gebruikelijk en geeft aan dat de afzender en ik een zakelijke, onpersoonlijke relatie onderhouden. Dat is beleefd en toch functioneel. Het laat ruimte om later alsnog vriendjes te worden of desnoods te gaan kibbelen. Aanhef nummer 2 is stijver en koeler en daardoor ook niet zo vriendelijk. Geen respect, geen wens uitgesproken. Alleen de intentie van “jou moet ik hebben”. Nummer 3 is ook direct, maar wel vriendelijk dus dat mag. Nummer 4 is een zeldzame, maar komt voor. Het bericht is vast naar een heleboel andere geadresseerden verstuurd. Nummer 5 is weliswaar persoonlijk, maar toch neutraal. Let op dit een nieuwe aanhef is. Dit kan duiden op een verkoelende relatie.

De rest van de begroetingen duidt op een min of meer persoonlijke relatie met de geadresseerde. Waarbij nummer 8 zo losjes is, dat het persoonlijke overheerst. Nummer 7 kan duiden op een zeer frequent contact. Maar als dat contact niet zo frequent is, dan is het een kille groet. Een band tegen heug en meug.

Een begroeting valt nauwelijks op, maar die paar woordjes zetten toch de toon. De rest van de boodschap is ermee gekruid. Dus dames en heren van de pers en het communicatiegilde: let op uw woorden.

 

 


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Hoe gekker hoe afhankelijker

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 29 August 2007

 

Beginnen aan een opdracht terwijl de prijs nog niet akkoord is. Weer een nieuwe ervaring. Vrijdag kreeg ik een telefoontje dat ik maandag of dinsdag beschikbaar moest zijn voor een spoedklus. Teksten voor een website. De opdracht kwam binnen via een bevriend communicatiebureau, dat als tussenpersoon fungeert.

Met pijn en moeite kon ik vanmorgen een gaatje vrij maken voor een interview met een zakenpartner van deze nieuwe klant. De enige twee mogelijkheden deze week, zei de klant, die erop staat dat ik eind van de week lever. Maar groen licht voor de prijs was er nog niet.

Vanmiddag kwam het telefoontje. Niet akkoord. Met het tegenvoorstel ga ik niet akkoord. Misschien ketst de deal af, dan werk ik het interview niet uit en breng de gewerkte uren in rekening.

Ik hoop hier zelfs een beetje op. Na de vakantie ligt het werk drie hoog opgestapeld en ik zie er nauwelijks een gat in. Neem zo’n klus dan niet aan, hoor ik mijn geweten zeggen. Maar ik zeg niet gauw nee tegen een nieuwe boterham. Zelfs al zijn sommige voorwaarden irreëel. Hoe gekker een klant, hoe groter hun afhankelijkheid van de leverancier.

Ik ben benieuwd hoe de klant zich hier uit redt. Als hij weigert heeft hij niks, terwijl hij vrijdag tekst wil hebben.

Aanvankelijk kon ik de humor hier niet van in zien. Maar naarmate ik meer doe in de bedrijfsjournalistiek, merk ik dat onderhandelen hier anders gaat dan in de journalistiek. Tarieven liggen open, net als leveringsvoorwaarden.

Gewone journalistiek is in vergelijking daarmee heerlijk voorspelbaar. Woordprijs, lengte, inhoud, altijd hetzelfde. Bij bedrijven moet je soms raden wat voor teksten ze willen hebben. Vaak vind ik die grilligheid wel iets hebben. Maar als ik het druk heb, dan moet ik nog wel eens oppassen om mijn geduld niet te verliezen.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Het einde van de digitale nieuwsvoorziening

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 29 August 2007

 

Wat een gewillig oor had ik vandaag. Ik zat bij een bedrijf aan tafel dat niet tevreden was over de eigen nieuwsbrief. Zo’n digitaal ding hebben ze daar. Die maken ze zelf, maar tevreden zijn ze niet. Dus ging ik erop af, als bladendokter. Dat ben ik sinds ik met twee vennoten een bladenmakerij ben gestart dit jaar.

Zaten wij daar dus aan tafel. Niet gelijk afkraken, zo hadden mijn maat en ik van tevoren afgesproken. Dat was niet eens nodig, want dat deden ze zelf al. Waarna ze vroegen hoe het wel moest.

Dat is de leukste vraag die je kunt krijgen. Mensen die zich aan je vleien om te luisteren en te leren. “Misschien moeten we wel een papieren blad gaan uitgeven”, zeiden ze na een uurtje. Ik had het niet eens voorgesteld, ze bedachten het zelf.

“Zetten wij nu een trend?” was de vraag daarna. Wat bedoelt u, vroeg ik. Steeds meer organisaties gaan hun digitale nieuwsbrieven de komende tijd vervangen door een gedrukte variant, zo was de uitleg. Dat inzicht had ik nog niet bedacht, maar ik beaamde het. Ik kon ook niet anders. Ook ik kijk niet meer naar de aanzwellende hoeveelheid digitale nieuwsbrieven die mijn mailbox teistert.

Ooit leek de digizine een handige opvolger van het gedrukte blad. Sneller en vooral goedkoper. We weten nu wel beter. Magazines op internet roepen geen emotie op. Ze stellen geen prioriteiten, waardoor de informatiewaarde vaag wordt. Gedrukte bladen zijn weliswaar duurder, maar ze leiden de lezer en bieden daarom houvast.

Waar zijn e-zines dan nog wel goed voor? Alleen als je al een band hebt met de afzender. De nutsfactor is een hele belangrijke. Alleen als je wat wil halen bij de afzender, ga je kijken wat hij te melden heeft. Feitelijke informatie is het best consumeerbaar op internet. Visie, inzicht, internet is er letterlijk te star voor en te weinig tastbaar.

Een mooie profetie dus vanmiddag. De digitale nieuwsvoorziening heeft de grenzen van de groei bereikt. Het zou tijd worden.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Een ruwe vlerk als spiegelbeeld

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 14 August 2007

 

Een van de gemakkelijkste bronnen die ik ken is de adviseur. Die wil altijd en overal in de krant, loopt over van informatie en heeft een goede babbel. Even een tussendoortje, dacht ik dan ook toen ik er vanmiddag eentje belde.

Maar dit was een hork die nors te kennen gaf niet mee te willen werken. Even was ik stil. Weigerde die man zo maar een gratis stukje pr? Hij bleef erbij. Alsof ik hem had gevraagd mijn rekeningen te betalen, zo aangebrand klonk hij.

Ik was pissig. Zo maar weigeren om mee te doen, en dan nog zo kortaf ook. Ik ben gewend aan een toon met een mengeling van gretigheid en respect. Als mensen toch weigeren, doen ze dat bijna schoorvoetend. Dedain komt wel eens voor, maar voornamelijk van mensen die gewend zijn om op een voetstuk te staan.

Een paar minuten heb ik gedroomd van wraak. Over mijn resolute weigering als deze vlerk zich eens zou melden met een persbericht of zo.

Maar zoals zo vaak het geval is bij opmerkelijke gebeurtenissen, was dit ook een leermoment. Hoe zou het zijn aan de andere kant van de lijn, dacht ik. Als je een journalist aan de telefoon krijgt die geroutineerd van alles wil weten. Vrijpostige vragen, openlijke twijfel, botte conclusies. En dan nog lukraak citaten gebruiken ook, voel je je dan geen voetveeg van de pers?

De waarheid is dat ik weliswaar beleefd ben en zo, maar dat ik niet teerhartig omspring met mijn bronnen. Ik neem mensen apart, bepaal de spelregels, neem de regie in handen, voer het tempo op en pak alle informatie die ik krijgen kan. Wat ik nodig heb gebruik ik, de rest gooi ik weg. De bron laat ik verder aan zijn of haar lot over.

Klachten krijg ik vrijwel nooit hierover. Dat komt omdat mijn bronnen beroepshalve informatie afstaan. Dat neemt niet weg dat journalistiek een industrie is. Informatie is de grondstof en de bronnen zijn het vee waar journalisten het spul van aftappen. Al in mijn studententijd verbaasde ik mij erover hoe gemakkelijk mensen meewerken aan interviews. Maar vanmiddag kreeg ik de deur in mijn gezicht. Voldongen feiten zonder dat ik er iets tegen kon doen. Het leerde mij weer eens hoe belangrijk bronbewerking is. Ook al worden informanten grof behandeld, ze moeten het toch leuk vinden.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

De opkomst van het boerderijmodel

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 13 August 2007

 

Zit ik midden in een spannend telefonisch interview met een bestuurder, hoor ik ginds een mobiele telefoon rinkelen. “Wacht even, dat is een privégesprek”, zegt mijn bron, die mij terecht even laat wachten.

Op de achtergrond hoor ik hoe dat privégesprek verloopt. “Mama heeft toch gezegd dat…” Even later: “Daarvoor moet je naar papa.” Even later is mijn bron weer terug en vervolgen we ons interview.

Aandoenlijk, dat stukje ouderlijke zorg. Uit ervaring weet ik hoe belangrijk het is dat je als ouder bereikbaar bent voor je telgen. Fijn dat anderen dezelfde prioriteiten stellen.

Maar het is meer dan alleen maar mooi. Het is ook een teken dat mensen hun privé-levens niet meer kunnen vrijwaren van het werk, en omgekeerd. Sommigen noemen dit het ‘boerderijmodel’. Werk, werkplek en privé zijn namelijk verweven op de boerderij.

Bij freelancers is dit een bekend verschijnsel. Werken kun je op elk moment van de dag en de nacht. Meestal bivakkeert het gezin in aanpalende vertrekken, van waaruit de freelancende partner of ouder direct aanspreekbaar is. Dat gebeurt dan ook regelmatig, aanvankelijk tot vreugde van de thuiswerker. Ik sprak eens een collega die dacht dat hij wel een artikel zou kunnen tikken met een slapende baby op schoot.

De keerzijde van dit romantische beeld is die van de freelance journalist die gek wordt gemaakt door jengelende koters en aandacht slurpende levenspartners, die het werkritme in de war schoppen. Ik ken collega-freelancers die zich hierdoor zwaar belemmerd voelen in hun beroepsuitoefening.

Jarenlang waren dit de ietwat excentrieke werkomstandigheden van freelance journalisten. Maar exclusief zijn ze steeds minder. Het boerderijmodel rukt ook op onder mijn bronnen. Een paar jaar geleden heb ik eens een verhaal geschreven over kantoorkinderen. Kenniswerkers die noodgedwongen af en toe een kind meenamen naar het werk.

Dankzij de mobiele telefoon bereik ik mijn bronnen net zo gemakkelijk thuis. Ik ken er geen een die dit erg vind. Acht uur bellen? Geen bezwaar. Thuis vertegenwoordigt de hogere waarden van de werkende mens, zo wordt het boerderijmodel nog vaak ervaren. Mijn bronnen zijn soms zelfs trots als ze thuis worden gebeld. Op kantoor zijn ze dan misschien een nummer, thuis zijn ze koning(in). En dat willen ze best laten merken.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

De fouten van vrijdag

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 10 August 2007

 

De Volkskrant (online), 10 augustus

Politie Utrecht houdt 56 motorscooterdieven aan

“Ook werden een aantal van dit soort scooters aangetroffen op de plek van een inbraak.”

Toelichting: Het meervoudige werkwoord “werden” verwijst naar het enkelvoudige woord “aantal”.

 

Elsevier, 10 augustus

Reisorganisaties lappen regels ‘echte’ ticketprijzen aan hun laars

“Dit soort onaangename verrassingen zouden niet meer mogen voorkomen, maar luchtvaartmaatschappijen Ryanair, Aer Lingus, Jet2com en SkyEurope hebben toch reizen met misleidende prijzen aangeboden.”

Toelichting: Het enkelvoudige zelfstandige naamwoord “soort” verwijst naar het meervoudige werkwoord “zouden”.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Angst voor de buren

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 10 August 2007

 

Een echte slangenkweker interviewen, leuk. Maar mijn bron dacht er vandaag anders over. “Als het niet hoeft, liever niet”, zei de man. “De buren, weet u. Sommige mensen hebben iets tegen slangen.”

Die lezen vast niet het vakblad waar het verhaal in verschijnt, wierp ik nog tegen. Het hielp niet. “Je weet maar nooit”, zei mijn bron. “Kijk, ik woon in een huurhuis….”

Zelden weigeren mensen om mee te werken aan een interview. Als ze dat doen, zijn er doorgaans goede redenen. De belangrijkste op een rijtje:

  1. Ik zou wel willen, maar ik heb het te druk

  2. Ik ben geen deskundige op dit gebied

  3. Ik ben niet de juiste spreekbuis binnen deze organisatie

  4. Praten over dit onderwerp kan onze positie schaden

  5. Ik heb slechte ervaringen met journalisten

  6. Wat word ik er beter van?

Maar angst als argument, het is voor mij een nieuwe ervaring. Zeker als je alleen maar bang bent voor de buren. Dit is bijna exemplarisch. Maar ik schrijf overwegend over economisch getinte onderwerpen. Journalisten die beladen maatschappelijke onderwerpen behandelen, hebben vast andere ervaringen.

Toch moet ik een bange weigeraar respecteren. Die past namelijk goed op zijn eigen belang. Heel verstandig, want journalisten kijken nu eenmaal meer naar nieuwswaarde dan naar de belangen van hun bronnen. Bovendien bagatelliseren zij vaak het effect van hun artikelen. Een artikel is voor een journalist hetzelfde als een frikandel voor een kok. Als je weet hoe het is gemaakt, is er niks spannends meer aan.

Maar bronnen en lezers kennen nu eenmaal een groot gewicht toe aan informatie in druk. Vorig jaar kreeg ik een telefoontje van een trainer. Hij was ontslagen nadat hij had meegewerkt aan een van mijn artikelen. Geen woord had hij verkeerd gezegd. Toch greep de directie zijn uitlatingen aan om hem op straat te zetten.

Goed opgeleide en volwassen mensen moeten zelf letten op wat ze zeggen, vind ik. Als ze weigeren omdat ze negatieve gevolgen willen uitsluiten, is dat alleen maar toe te juichen. Het betekent namelijk dat zij zichzelf en mij als journalist serieus nemen. Ik zou willen dat al mijn bronnen zo waren. Het zou de kwaliteit van menig interview ten goede komen.


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

De opkomst van de bureaujournalistiek

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 9 August 2007

 

Er is een fraudeur gearresteerd in Amsterdam Zuidoost, las ik gisteren op teletekst. Vandaag stond het in de kranten. Gesjoemel met subsidie en giften. De verdachte is verbonden aan een stichting die daklozen te eten geeft. De koningin van de Bijlmer, zo stond het in de krant.

Nog steeds hebben media de code om de identiteit van een verdachte te beschermen. Zinloos, want via internet had ik deze koningin binnen tien minuten getraceerd, met naam en foto. Marlène Celes, zo heet ze. Op de foto kijkt een donkere vrouw in traditionele Surinaamse kleding de camera in. Op een andere foto staat ze temidden van haar hele familie. De juichverhalen over haar op internet, hebben opeens een andere lading.

Internet heeft van onze samenleving een doorzonwoning gemaakt. Iedereen die iets doet dat bovengemiddeld is, komt in beeld. Informatie afschermen gaat niet. Voer alle bekende informatie in en via zoekmachines krijg je een stortvloed aan informatie waaruit je van alles en nog wat kunt afleiden.

Zo ging dat ook twee jaar geleden bij de voormalige trainer van voetbalclub Elinkwijk. Nadat hij was ontmaskerd als moordenaar, pleegde hij zelfmoord. Eerst werd zijn naam niet genoemd in de media. Daarna werd het Joop L, en op internet vervolgens Joop Lith. Zijn foto kun je er gewoon bekijken.

Openheid op internet is een journalistieke zegen, niet alleen bij strafrechtelijke zaken. Een paar jaar geleden al weer heb ik een coververhaal gemaakt (over management) waarbij ik alle informatie van internet hebt gehaald. Om het verhaal te completeren hield ik een paar kleine, telefonische interviews. Zwak? Helemaal niet, het was juist heel feitelijk, informatief en uitgebreid.

De kracht van internet als journalistieke bron is niet alleen de overvloed aan informatie. Iedereen beschikt nu over informatie, maar juist dat maakt de journalist zo nodig. Informatie moet je analyseren en duiden, een vak apart. Verder heeft het internet ons vak een enorme versnelling gegeven. Informatie onder handbereik hoef je niet meer elders te gaan halen. Dat betekent meer artikelen in minder uren en nog betrouwbaarder ook. Namen, locaties, feiten, rapporten, alles kun je checken op internet.

Maar natuurlijk is er ook een keerzijde. Je hoeft bijna de deur niet meer uit. Kille bureaujournalistiek rukt op. Rapportages? Ze zijn al gauw te duur. Hard werken en een hoge productiviteit zijn nieuwe normen aan het worden, haalbaar dankzij internet. En opdrachtgevers gaan er echt niet beter door betalen.

 


het ontslagcircus - alles wat je moeten weten als je eruit vliegt

Waarom niet gelijk afwijzen?

Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 8 August 2007

 

Zoals verwacht was het beloofde poststuk er weer niet vandaag. De uitgever had eind vorige week beloofd een paar proefexemplaren van een tijdschrift op te sturen. Of ik daar corrector voor wilde worden, zo luidde de vraag.

“Bedoelt u soms een eindredacteur?” vroeg ik. Nee, die hadden ze al. De corrector moest alles nog een keer nalopen. Er stond acht uur per maand voor en er was haast bij. Ik zat me nog af te vragen hoe en waarom ik in beeld was gekomen, toen de bekende vraag werd gesteld. “Wat is uw uurtarief?”

Vanaf dat moment ging het gesprek mis. Ik noemde een bedrag, waarna de vrouw aan de andere kant van de lijn begon te hakkelen. “Eh, ja, we hebben nog een paar mensen benaderd, dus als u het wordt, dan…” Enzovoorts. Ik begreep dat mijn uurtarief als absurd werd ervaren.

De afspraak van die zichtexemplaren was een mooie. Een loze belofte, zo hoefde zij me niet in mijn gezicht te zeggen dat ik te duur was. Ik hoefde niet te zeggen dat ik geen trek had in de aanbieding. Corrector. Ik mis de passie voor dit technische baantje.

Waarom niet gelijk nee gezegd, zo vroeg ik mij later af. Heel veel collega’s raden mij aan om kritisch te zijn bij het aannemen van opdrachten. Sommige wijzen inderdaad snel opdrachten af. Eentje schuift mij zelfs regelmatig klussen toe die zij zelf weigert.

Bij mij gaat dat anders. Geen werk, geen brood, is mijn motto. De keren dat ik een opdracht heb afgewezen, kan ik letterlijk op de vingers van één hand tellen. Ik weet ze allemaal nog. Overmacht was in alle gevallen aanleiding voor mijn weigering.

Mijn welwillende houding heeft mij vaak problemen gebracht. Overwerkt, slecht doordachte opdrachten, ultrakorte deadlines.

Maar het gaat hier om meer dan de noodzaak van omzet. De spanning van al die turbulentie vind ik nu eenmaal prachtig. Noodgedwongen duik ik helemaal onder in een onderwerp, waarna ik na een paar dagen een verhaal heb. Heb ik te veel tijd, dan kosten concentratie en inspiratie mij echter moeite.

Maar van de wederpartij verwacht ik ook iets. Enthousiasme, ambitie, vertrouwen en erkenning. Soms mis ik die. In plaats daarvan zie ik dan twee niet zulke leuke eigenschappen. De eerste is dédain, de ander een overdreven kostenbewustzijn. Voor zulke gevallen is mijn uurtarief een prima waakhond.