Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 31 July 2007
“Wij nemen geen bedrijven over, dat is te duur.” Een mooie opmerking van een bestuursvoorzitter van een groot bedrijf, dus ik schreef die op. Vrijdag kwam er in een voorinzage een opmerking over. “Wij nemen niet alleen bedrijven over, dat is te duur”, zo had de persvoorlichter het citaat gecorrigeerd. Bijna identiek, maar met een kleine nuance.
Vandaag begreep ik waarom. Het bedrijf in kwestie maakte een overname bekend van miljoenen euro’s. Die bestuursvoorzitter wist dat vast al toen ik daar zat te interviewen.
Het is niet voor het eerst dat ik mijn bronnen verdenk van jokken. Op keiharde leugens betrap ik ze echter zelden. Toch denk ik dat ze de waarheid flexibel hanteren. Kijk je van de ene kant, dan is het wit. Maar kijk je van de andere kant, dan is het zwart. De waarheid kun je dus ook grijs noemen.
Als ik vervolgens opschrijf dat de waarheid grijs is, dan ben ik de leugenaar. Schrijf ik dat de waarheid wit is, dan ben ik ongenuanceerd. Schrijf ik dat de waarheid zwart is, dan trek ik de zaak uit de context. Schrijf ik dat de waarheid zowel wit als zwart is en dus grijs lijkt, dan begrijpen mijn lezers er niks meer van.
Helaas is de waarheid fantasieloos en star. Weinigen zijn er echt in geïnteresseerd. Gelukkig maar. Als we de waarheid al te letterlijk zouden nemen, is er geen ruimte meer voor verbeelding. En verbeelding is de bron van creativiteit. Creativiteit leidt tot vernieuwing en die brengt weer voorspoed.
Liegen is uiteindelijk dus productief. De waarheid daarentegen is vroom, brengt rust en zet alles op zijn plaats. Saai dus, conservatief en slaapverwekkend. Ik begrijp best waarom zo wij journalisten geen goed kunnen doen. Als wij de waarheid vertellen zijn we saai. Maar zodra we liegen, mist iedereen de waarheid.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 28 July 2007
Lang, lang geleden nam mijn schoonmoeder de telefoon op bij mij thuis. Mijn werktelefoon. “Ik bel voor de heer Vlaming”, zei een directeur aan de andere kant van de lijn.
“Die staat onder de douche”, zei mijn schoonmoeder. Toen ik later die directeur sprak, kon hij het niet laten om te grinniken.
Ik moest er aan denken toen mijn dochter vanmiddag riep dat de werktelefoon ging. “Ach, neem jij hem maar op”, riep ik terug. Komend najaar wordt zij 18 en ze heeft wel eens vaker een zakelijk telefoontje gepleegd. Doet ze prima, beter dan mijn schoonmoeder.
De telefoon is het meest onderschatte instrument van de journalist. Niemand ziet je, maar toch moet je een bron je wil opleggen. Zelfs zonder voorbereiding moet je een urenlang interview kunnen afnemen, voordat een bron zich kan bedenken.
In mijn beginjaren kon ik dit niet. Telefoonjournalistiek heeft een korte aanlooptijd. Je spreekt mensen vaak zonder afspraak en je moet soms al improviserend de informatie boven water krijgen. Maar je kunt het leren. Er zijn drie elementen voor nodig: legitimatie, verrassing en relevantie.
Legitimatie betekent dat je mensen duidelijk maakt waarom je hen wil spreken. U bent de deskundige, uw woord telt, u bent onmisbaar. Zet dit element gelijk in, anders vragen mensen zich af waarom je hen lastig valt.
Dan de verrassing. Gun mensen geen tijd om na te denken en te beseffen dat ze wel iets beters te doen hebben. Introduceer onmiddellijk jezelf en zeg wat je van plan bent. Een paar minuten om een paar vragen te stellen, kan dat? Is het antwoord nee, dan zeg je dat je over een uur terugbelt. Zo creëer je het voldongen feit.
Eenmaal in gesprek, houd dan het initiatief. Vuur de ene na de andere vraag af. Vermijd stiltes waarin je bron op zijn horloge kijkt. Zo dwing mensen om steeds dieper over het onderwerp na te denken.
Tenslotte de relevantie. Maak duidelijk waarom je iets vraagt. “Ik heb zus of zo in de krant gelezen. Gaat het in uw bedrijf ook zo?” Ontbreekt de logica van de vragen, dan gaat de bron denken dat je hem uithoort in plaats van interviewt. Dan klinkt de argwaan: “Wat gaat u doen met deze informatie?” Hoe later die vraag valt, hoe beter het is.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 27 July 2007
“Kan ik Jan Willem spreken?.”
“U moet een afspraak maken via onze persvoorlichter.” Vaak loop ik stuk op persvoorlichters. In veel instanties krijg ik niemand te spreken zonder hun bemiddeling.
Zoals de naam al aangeeft is de deze functionaris een professioneel aanspreekpunt voor de pers. De persvoorlichter coördineert antwoorden en helpt journalisten desnoods hun weg te vinden in de organisatie.
Ondanks deze service is de persvoorlichter niet erg geliefd bij de pers. Hij (vaak zij) wordt ervan verdacht journalisten met een kluitje in het riet te sturen of te voorzien van onbruikbare informatie.
Maar ik mag de meeste persvoorlichters wel. Ze zijn vriendelijk, snel van begrip en doorgaans hulpvaardig.. Maar soms mag ik de organisatie niet in (“De antwoorden lopen via ons”), of de deur is helemaal dicht (“Daar kan ik nu niets over zeggen”).
Wat zijn dan de alternatieven?
-
Zoek een organisatie met een minder horkerige persvoorlichter.
-
Ga slijmen, word boos of onderhandel. Meestal is dit verspilde energie.
-
Probeer rechtstreeks contact te leggen met de bron die je wil spreken. Soms strand je al bij de telefoniste, die opdracht heeft om alle journalisten naar de persvoorlichter te leiden.
-
Zoek een achterdeur. Ondernemingsraden zijn soms opvallend spraakzaam zonder dat ze persvoorlichters inschakelen. Maar andere ondernemingsraden zijn bang van journalisten.
-
Zoek een rode loper, iemand die kind aan huis is in de organisatie en die jou graag introduceert bij de directie.
-
Traceer de juiste bron. “Kunt u mij doorverbinden met de heer Jansen?” Die werkt hier niet, antwoordt de telefoniste. Ach, ik ben zijn naam vergeten, zeg je dan, maar hij werkt op die en die afdeling en hij houdt zich daar en daar mee bezig. “Dan moet u de heer Bakker hebben, ik verbind u door.” Tegen meneer Bakker zeg je naar waarheid dat je bent doorverbonden door de telefoniste.
-
Omzeil de waakhonden. Vervang de laatste drie of vier cijfers van het telefoonnummer, en je hebt een doorkiesnummer van een willekeurige afdeling. “Ik dacht dat ik was doorverbonden met afdeling die en die”, zeg je dan. Meestal helpt men je naar de juiste afdeling.
Veel van deze oplossingen werken alleen als de discipline in de organisatie zwak is. Dan lopen mensen leeg als je ze rechtstreeks aanspreekt. Maar soms leveren ze je alsnog uit aan de persvoorlichter. Die is dan vaak niet meer zo aardig.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 26 July 2007
Ik weet niet waarom dagbladen er zo dol op zijn, die vreemde toelichting tussen haakjes met als afsluiter “red.”. Dan staat er een citaat in de trant van: “We hebben tegen hem (premier Balkenende – red) gezegd dat…..”
Gisteren kreeg ik een artikel binnen van een freelancer die ook dat zonderlinge (red.) in haar tekst had verwerkt. Ik heb het eruit gehaald, met een verzoek om het voortaan achterwege te laten.
Dat woordje tussen haakjes gaat al heel lang mee. Pas toen ik de journalistiek in ging, snapte ik dat “red” stond voor “redactie”. Toen pas viel het kwartje. De redactie maakt midden in een citaat een uitstapje om een eigen verhaaltje te vertellen. Dat korte verhaaltje tussendoor wordt afgesloten met een redactionele handtekening.
De bedoeling van de Uitgelichte Redactionele Toelichting (URT – red.), zoals ik dit verschijnsel maar ga noemen, is mij op zich wel duidelijk. Kranten durven niet aan citaten te morrelen als ze uit bijvoorbeeld een persconferentie komen. Voorlichters, collega’s en miljoenen kijkers en luisteraars weten vaak hoe het echte citaat luidt. Een krant die een paar woordjes wijzigt voor de leesbaarheid, zou beschuldigd kunnen worden van onzuivere berichtgeving. Geen krant die dat wil riskeren.
Maar als je het citaat letterlijk overneemt, snapt de lezer soms niet wat er wordt bedoeld. “We hebben hem gezegd dat hij de verklaring moet intrekken.” Wie is “hem”? denkt de lezer dan. Eerlijk weliswaar, maar ook onbegrijpelijk. Dat wil ook niemand.
Een gewone uitleg tussen haakjes kan ook niet. Dan denkt de lezer dan de spreker iets tussen haakjes heeft gezegd.
De URT neemt veel journalistiek leed weg. Er wordt niet gelogen terwijl de lezer toch begrijpt wat er wordt bedoeld.
Het blijft echter een gedrocht dat er uitziet als een natuurkundige formule. Het toelichten van je eigen verhaal is bovendien even zwak als het uitleggen van een mop.
Vergelijk het eens met een toespraak op televisie. Het televisiestation onderbreekt de redevoering om even uit te leggen wat de spreker bedoelt. De journalistiek zou degraderen tot cabaret.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 25 July 2007
‘Je moet kiezen. Werk je voor ons of voor onze concurrent?’ De e-mail kwam als een steen uit de hemel vallen. Al een paar maanden werk ik voor twee bladen die allebei dezelfde sector bedienen. Als freelancer ben je een huurling, dus met concurrentie tussen redacties heb ik niks te maken.
Daar denken sommige redacties toch heel anders over. De afzender van het bericht legde uit dat het redactioneel beleid was dat hun freelancers niet voor concurrerende bladen schrijven. Bij toeval had men ontdekt dat ik deze regel (die ik overigens niet kende) aan mijn laars lap. ‘We hopen dat je voor ons kiest’, stond er nog in het bericht.
Dat was best aardig. Het hele bericht was trouwens heel beleefd opgesteld. Alleen de boodschap vond ik niet zo leuk. Ik ben een ondernemer en ik wil niet goed dat anderen gaan uitmaken waar ik mijn brood verdien.
Drie keer eerder heb ik iets vergelijkbaars meegemaakt. In de jaren tachtig verbood het toenmalige blad FEM (tegenwoordig FEM Business) mij om voor Elsevier te gaan werken. FEM was een hele goede klant van mij en Elsevier niet. Ik voelde me gevleid.
Midden jaren negentig eiste het vakblad PW opheldering van mijn bijdragen aan het concurrerende tijdschrift Personeelbeleid. Ik herinner mij dat ik uit mijn slof geschoten ben om het brutale toontje in de brief. Ergens begin deze eeuw ben ik er door een marginaal blaadje uitgeschopt omdat men vond dat ik te veel voor de concurrentie schreef.
Nu voel ik me minder geschoffeerd. De redactie heeft de situatie helder uitgelegd. Financieel is de pijn niet groot. Het blad waar ik weg zou moeten als ik gehoor geef aan het Berufsverbot, heeft veel meer te bieden.
Ik heb geantwoord dat ik per direct stop met mijn werk bij de afzender. Op zich jammer, want de relatie was goed. Ik had nog een paar opdrachten lopen, maar die maak ik niet af. Wat ik vooral betreur is dat ik geen andere bladen bedien bij de uitgever van dit blad. Omwille van mijn VAR-verklaring moet ik nu een extra uitgever gaan zoeken.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 24 July 2007
In de file, wie kent het niet? Het wordt pas een drama als het uur van je interview nadert, zonder dat je van je plaats komt. Een aanrijding, een wegafzetting, daartegen helpt geen vroeg vertrek.
Zo was mijn interview vorige week uiteindelijk geslonken naar drie kwartier. Te kort als je hier een coververhaal van moet maken.
Ik heb er vandaag uiteindelijk een goed verhaal van gemaakt. Zelfs uit ellendige omstandigheden kun je toch goed wegkomen. Maar helemaal in eigen hand heb je het niet als journalist.
Ten eerste moet de geïnterviewde een geroutineerde prater zijn. Dat wil zeggen dat hij lange inleidingen vermijdt, soepel mee zwenkt met elke verandering van onderwerp en dat hij terzake is.
Gelukkig voldeed mijn bron aan alle eigenschapen. De man heeft ruime interviewervaring en zijn interesse in het interview was louter professioneel. De vragen interesseerden hem niet echt. Het was alsof ik een robot interviewde. Na elke vraag kwam er bliksemsnel een antwoord dat aan alle eisen voldeed: informatief, soundbites, actueel, compact.
De tweede voorwaarde voor een ultrakort interview is de journalist zelf. Welke onderwerpen snijd je aan, hoe diep ga je, wat laat je liggen? Houd daarbij vooral de klok in de gaten. Na drie kwartier moet je namelijk alles hebben besproken dat je persé nodig hebt.
De derde voorwaarde is de randinformatie, die je uiteraard moet kennen als je het interview ingaat. Die heb je dringend nodig bij de uitwerking.
Dan het schrijven. De moeilijkheid is het aanbrengen van een logisch verband doordat er veel onderwerpen zijn behandeld die per stuk beperkt zijn uitgewerkt. Een centraal thema ontbreekt, dus kun je alle kanten op. Met als risico dat je bij elkaar geraapte onzin vertelt.
Goede informatie over de persoon of zijn bedrijf is dan je redding. Daaruit komt al een verhaal tevoorschijn zonder interview. Schrijf dat verhaal dan maar op en gebruik de citaten als vulling. Zorg er alleen wel voor dat het er precies omgekeerd uitziet.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 21 July 2007
Vandaag ben ik in Friesland geweest voor een oriënterend gesprek met een mogelijke opdrachtgever. Van tevoren vermoedde ik dat hier weinig uit zou komen. Er zal nog veel moeten gebeuren om het anders te maken.
Toch ben ik gegaan. Om één uur vertrok ik, om kwart over zeven was ik terug. Dat is bijna een werkdag, gemeten in uren. De bedenkingen voor ik wegging waren nog net zo groot toen ik terugwam.
Als ik dat van tevoren had geweten, was ik nog steeds gegaan. Terwijl ik weet dat ik als freelancer zuinig met mijn tijd moet omgaan. Zoals de meeste freelancers kom ik niet graag achter mijn pc en telefoon vandaan. Dat heeft te maken met kostenefficiënt werken.
Dat ik me nu een lange reis heb gepermitteerd met ongewisse uitkomst, heeft dan ook niets te maken met efficiëntie. Ik heb de afweging gemaakt op gevoel. Deze opdrachtgever wil een nieuw blad in de markt zetten. Dat lukt hem toch niet, dacht ik van tevoren. Zo denk ik nog steeds.
Maar iemand met ambitie, geld, visie en invloed, die negeer je niet. Zelfs al wordt dit niks, dan nog is het een interessant moment. Ik wil de haalbaarheid peilen en daarvoor moet ik goed kunnen waarnemen. Zulke waarnemingen zijn telefonisch niet mogelijk. Je wil de persoon voor je zien, de mimiek, de omgeving. Je wil vooral ook de tijd hebben om de mens tegenover je in te schatten.
Op deze manier achterhaal je ook informatie voor artikelen. Alleen is het instrument van de nabije waarneming vaak te duur om te worden ingezet. Ik maak vaak de afweging wanneer ik deze in stelling breng. Altijd bij exclusieve interviews van twee of meer pagina’s. Altijd bij een nieuw journalistiek project. Altijd bij het onderhouden van een contact dat nog langer mee moet. Altijd als er een hoge financiële inzet aan de orde is. In alle andere gevallen verdient waarneming op afstand de voorkeur.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 20 July 2007
“Ik vraag het nu voor de derde keer: wat denk je van een interview?” De e-mail was beleefd maar ook beslist opgesteld. Ik herinnerde mij dat ik de vraag van deze afzender inderdaad al eerder had gehad.
Dit soort berichten leg ik vaak op het stapeltje “nog te behandelen”. Meestal laat ik het daar, geïnspireerd door tijdgebrek. Als de afzender zich daarna niet meer laat horen, was de boodschap dus onbelangrijk.
Andere afzenders zijn vasthoudender. Soms bellen ze, zoals vanmorgen (“hebt u mijn e-mail van tien dagen geleden gezien”). Dan vraag ik met wie ik ook al weer spreek, wanneer de e-mail is verstuurd en naar welk adres. Ondertussen scroll ik snel mijn mailbox.
Meestal vind ik het bericht in minder dan een kwart minuut, wat het telefoongesprek ten goede komt (“O ja, u had het over dit of dat”). Andere afzenders bellen niet, maar sturen een tweede e-mail. Waarna mijn stapeltje “nog te behandelen” steeds groter wordt.
Schandalig? Als ik het zo opschrijf vind ik dat ook wel. Handig is het in ieder geval niet, en ook niet beleefd. Maar ik krijg nogal wat vragen en opmerkingen via de e-mail waarvan ik niet zo goed weet wat ik er mee moet. “Ik wil een artikel aanleveren. Kunt u mij zeggen met welke specifieke zaken ik rekening moet houden?” Wat moet ik daar nu toch op zeggen?
Elk antwoord op dit soort berichten kost mij vijf tot tien minuten. Tien van zulke mails verbranden dus meer dan anderhalf uur. In die tijd maak ik een bericht van ongeveer driehonderd woorden. Bij een doorsnee betaling van 45 cent per woord is dat 135 euro.
Maar het ergste is dat ik over elke vraag moet gaan nadenken. Mijn concentratie gaat van het ene onderwerp naar het andere. Telkens weer moet ik me voor een paar minuten verdiepen in een nieuw onderwerp, zonder dat dit iets oplevert. Ik word moe zonder productief te zijn.
Uiteraard hoort het onderhouden van contacten ook bij mijn vak. Maar er zijn momenten dat je gewoon even niet bereikbaar wil zijn. De telefoon kan ik uitzetten, maar aan internet kan niemand ontkomen.
De paradox is dat je door dit medium steeds minder mensen ziet en spreekt, maar dat je wel steeds meer energie in ze moet steken. Er komt vast nog een tijd dat we internet als een last zien.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 19 July 2007
Een profiel van een nieuwe opleiding, wat moet een it-blad daarmee? Gisteren en vandaag heb ik er een paar telefoontjes aan gewaagd. Maar ik heb even goed moeten nadenken wat voor spannends er van te maken valt.
Natuurlijk had ik nee kunnen zeggen tegen deze opdracht. Maar als freelancer doe ik ook onderwerpen die ik zelf niet bedacht zou hebben. Het zijn dan ook niet alleen de lezers die door dit soort verhalen geprikkeld moeten worden. Vaak zijn ze bedoeld om adverteerders blij te maken.
Hoe kleiner de bladen, hoe beter de redactie dat begrijpt. Veel bladen zijn financieel afhankelijk van advertenties. Bedrijven worden echter steeds terughoudender met adverteren. Valt hun advertentie wel op in het overvolle medialandschap?
Om de adverteerder toch te lokken, bieden redacties extraatjes. Bijvoorbeeld het doorplaatsen van een advertentie op het internet bijvoorbeeld. Wat steeds vaker gebeurt is het schenken van redactionele ruimte. Als jij bij ons een advertentie koopt, schrijven wij een artikel over jou. Twee jaar geleden heb ik zelfs verschillende verhalen voor een vakblad geschreven die door adverteerders werden betaald.
Zo worden freelancers herhaaldelijk opgescheept met onzinnige onderwerpen. Zelden heb ik redacties horen toegeven dat het zo werkt. Maar soms ligt het commercieel belang er wel heel dik bovenop. De toelichting op het belang van het onderwerp ontbreekt in sommige briefings, hoewel die er meestal mee beginnen. Zou de redacteur dit zelf leuk vinden, vraag ik mij wel eens af.
Veel redacties schamen zich voor deze koehandel. Journalisten koesteren hun imago van onafhankelijkheid, zelfs als die weinig voorstelt. Jammer, die misplaatste gêne. Journalistieke en commerciële belangen zijn helemaal geen natuurlijke vijanden van elkaar. De kunst is om het journalistieke verhaal te ontdekken in de commerciële boodschap.
Een vakblad als Bizz slaagt daar elke keer weer in. Een echte ondernemersvriend met bedrijfsverhalen in elk artikel. Toch zijn de onderwerpen actueel, prikkelend, informatief en soms zelfs kritisch. Maar altijd is er een gelukkig einde. Waarom zou het anders moeten zijn?
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 18 July 2007
Veel journalisten houden van de lange interviews. Leuk, praten met interessante mensen. Maar soms zijn het drama’s. Mensen willen niet meewerken, ze vertellen slechte verhalen of hebben eigenlijk geen tijd.
De redactie van het sponsored magazine die mij vandaag belde, kan erover meepraten. Wekenlang was men op zoek naar een topmanager om te interviewen, maar geen eentje wilde. Topmanagers staan liever in het Financieele Dagblad, Elsevier of de Volkskrant in plaats van in een bedrijfsblad.
Maar vandaag had de redactie beet en werd ik gelanceerd. Of ik maandag kan leveren? Ik heb maar snel de secretaresse van die manager gebeld en mag donderdag al interviewen.
Een toezegging voor medewerking plus een journalist die schrijft is een artikel, zo redeneert de redactie. Die heeft het verhaal al geteld.
Alleen moet het echte werk nog gebeuren. Dat wil zeggen, het interview en daarna het schrijven. Ik moet nog maar zien dat dit goed gaat. Topmanagers hebben een eigen wil, ook met een journalist tegenover zich.
Vroeger had ik een hekel aan lange interviews. Wat moest je iemand vragen? En wat te doen als iemand onzin uitkraamt? Tijdens mijn eerste interview, als stagiair van de journalistenopleiding, ging het al mis. Ik had een afspraak gemaakt met de consul van El Salvador, een land dat berucht was vanwege doodseskaders en bloedbaden. Een kast van een man die vol dedain op mij neerkeek in zijn Haagse villa met donkere muren en eiken meubilair. Compleet geïntimideerd stond ik na een kwartier weer buiten, zonder verhaal.
Nu ken ik de kneepjes van het vak, maar een interview went nooit. Pas op dat je je niet laat mee slepen door retoriek. Die klinkt vaak leuk, maar als je het opschrijft blijkt het dunne soep. Maak het onderwerp concreet, want hol gezwam is nog erger dan open deuren. En pas op dat ze niet van de hak op de tak springen.
Voor die topmanager ben ik niet bang. Hij heeft vaak in de krant gestaan en is een ervaren prater. Maar juist een surplus aan routine kan een valkuil zijn. Het interview kan te gemakkelijk worden, zeker als er maar een uurtje tijd is. Het resultaat: een glad artikel zonder verrassing.
|