Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 30 June 2007
Toen ik vanmiddag bij mijn afspraak aankwam ging mijn mobiele telefoon. Een communicatiebureau dat al een paar weken probeert mij in contact met een van hun klanten te brengen. “Heeft Paul je al gebeld?”
Niet dat ik zo graag met Paul wil praten, Paul wil met mij praten. Hij heeft een communicatiebureau ingeschakeld om in de krant te komen. Dat bureau vroeg aan mij of ik in zijn verhaal geïnteresseerd was. Ik zag er wel iets in en wilde wel eens met Paul praten.
Maar vervolgens blijkt Paul onbereikbaar te zijn. Te druk.
Ik vind dat niet erg. Het is bijna zomervakantie en ik heb nog werk zat. Dat geldt kennelijk ook voor Paul.
Maar het communicatiebureau geeft niet op. Regelmatig krijg ik een telefoontje met een tussenstand, die er op neerkomt dat men Paul achter de broek zit.
Pauls verhaal is er wat mij betreft eentje zonder urgentie dat kan wachten. Maar daar wil het communicatiebureau niks van weten. Communicatiebureaus hebben zo hun eigen belangen. Net als journalisten leven zij van publiciteit. Het verschil is dat zij niet zelf publiceren, maar bemiddelen bij publicaties. Hoe meer een journalist publiceert dankzij hun bemiddeling, hoe beter dat voor hen is.
Dagelijks krijg ik dan ook telefoon of e-mail van ze, en de frequentie neemt nog steeds toe. De benadering is ook steeds persoonlijker. De aanhef in de mail van “Geachte heer Vlaming” wordt steeds vaker vervangen door “Beste Henk”. Geen idee of ze mij ook echt kennen. Onlangs werd ik een paar weken gestalkt door een communicatiemevrouw die mij een interview met een Amerikaanse goeroe wilde aansmeren. Toen ik het aanbod afwimpelde, benaderde zij een journalist die voor mij werkt achter mijn rug om.
Maar de meeste communicatiebureaus zijn beleefd en zakelijk, wat het contact juist zo moeilijk maakt. Ik voel me een botte bruut als ik ze afpoeier. Wat toch echt nodig is, want meestal hebben zij niets te melden. Berichten over nieuwe producten van of benoemingen van topmanagers bij hun klanten zijn zelden interessant.
Maar ik kan die communicatiebureaus ook niet missen, want soms hebben ze wel degelijk iets interessants. Bovendien verloopt steeds meer berichtgeving via deze bureaus. Zo heb ik dus mijn handen vol aan ze. Met als risico dat ik het echte nieuws mis temidden van al het stof dat ze opwerpen.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 28 June 2007
Op weg naar de bar werd ik bijna omver getrokken. Een collega die ik al een paar jaar niet meer had gezien. Vroeger waren we samen freelancers. Hij werd redacteur, daarna hoofdredacteur en vervolgens ontslagen. Nu is hij weer freelance journalist
aar nu stonden we weer oog in oog op een feestje dat door een communicatiebureau was georganiseerd voor klanten en journalisten. Zulke partijtjes zijn er bij de vleet, en je vindt er vaak journalisten. Contacten onderhouden, nieuwtjes oppikken, trends signaleren. Soms ga ik ook, want je gezicht laten zien kan nuttig zijn.
Zo ontmoette ik dus die collega. Over het verleden hadden we het niet, wel over de dingen die ons nu bezighouden. Ik heb nog wel eens aan hem gedacht nadat hij vervangen werd als hoofdredacteur. Hoe gaat het met iemand die opgeklommen is, om daarna omlaag te tuimelen?
Ik heb wel vaker hoofdredacteuren ontmoet die na een tijdje uit beeld raakten. Hoofdredacteur is een verraderlijke baan. De hoogste journalistieke functie. Dat lijkt heel wat, maar de journalistiek kent maar een paar functies: redacteur, eindredacteur, che-redacteur, adjunct-hoofdredacteur en tenslotte hoofdredacteur. Je kunt al voor je dertigste aan de top staan, zij het dat meestal bij een klein blad.
Wil je hogerop, dan word je hoofdredacteur bij een groter blad. Daarvan zijn er echter betrekkelijk weinig. Het medialandschap is gevuld met duizenden kleine bladen die nooit de kiosk halen. De meeste hoofdredacteuren hebben dan ook hun professionele plafond bereikt nog ver voor ze vijftig zijn.
De meeste verlaten dan ook uiteindelijk de journalistiek. Bijna twintig jaar hetzelfde doen maakt weinigen blij. Geliefd is een overstap naar het bedrijfsleven, waar journalisten veranderen in adviseurs of communicatiespecialisten. Soms worden ze freelancers als ik. Laatst ontdekte ik er zo eentje op het internet. Vroeger gaf hij mij opdrachten, nu schrijft hij brochures voor een gemeente.
Een journalistieke carrière bestaat niet. Rijk word je er niet van. Wil je in dit vak blijven, dan ben je gedoemd om tientallen jaren te blijven schrijven. Schrijven en nieuws brengen zijn namelijk de enige onmisbare kwaliteiten van een journalist.
Volhouden in de journalistiek vraagt dan ook om passie en een vleugje idealisme. Mis je die, dan brand je op in dit vak.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 28 June 2007
“Wat hebben we nog meer op de agenda?” Ik hoorde het mijzelf vragen om een uur of vier vanmiddag. We waren om half twee begonnen aan een vergadering. Wij is in dit geval mijn uitgever, de eindredacteur, een marketeer, een advertentieverkoper en twee organisatoren van evenementen. Ik assisteer bij de organisatie van een congres van een van mijn klanten.
Om half twee ging de deur dicht en begonnen met de vergadering.. Het ging over het centrale thema, doelgroepen, data, locaties, sponsors, adverteerders, dagvoorzitters en sprekers.
Heel lang geleden, toen ik nog in de landbouw werkte, leek het me een voorrecht om al pratend je geld te verdienen. Ik zag op de boerderij waar ik werkte wel eens vertegenwoordigers langskomen, die weinig anders deden dan kletsen en koffie drinken. Een luizenbaan. Toen kon ik me nog niet voorstellen dat je hier moe van kon worden.
Toch zat ik er doorheen in de auto op weg naar huis. Urenlange concentratie, luisteren, meepraten, het lijkt niks en toch ben je na een paar uur leeg. Een paar jaar geleden las ik een onderzoek over werkdruk. Geestelijke arbeid houd je langer vol dan fysiek werk, zo was de ustrekking. Maar het herstel van geestelijke inspanning duurt veel langer.
Dat is precies de valkuil van een journalist. Je voelt de vermoeidheid amper tijdens je werk en dus ga je maar door. Daarmee put je jezelf zodanig uit dat je na verloop van tijd amper nog op te laden bent. Funest voor freelance journalisten, die het juist moet hebben van tempo en beschikbaarheid.
Maar ook hier is iets tegen te doen. Hieronder een aantal overlevingstips voor journalisten onder druk, die ik overigens niet zelf heb bedacht:
-
Koester regelmaat. Begin om negen uur en stop om vijf uur. Neem regelmatig pauzes en eet drie keer per dag
-
Op tijd naar bed, want goede nachtrust is broodnodig
-
Negeer een overdaad aan prikkels in de vorm van koffie en alcohol
-
Houd avonden en weekends vrij. Geen drukke activiteiten tussendoor zoals sport of familiebezoeken die extra vermoeiend zijn
-
Zorg voor de juiste ontspanning. Voor de tv hangen en boeken lezen zijn aanraders
-
Veel praten, daarmee haal je druk van de ketel
-
Neem de tijd. Deadline gemist? Jammer, dan lever je maar een dag later
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 27 June 2007
Enigszins in tijdnood maakte ik rond het middaguur een bericht af. Ik had krap een paar uur, daarna moest ik leveren. Ongeveer achthonderd woorden moesten er staan, iets minder dan anderhalf A4, regelafstand 1, korps 12. Alle informatie was er, maar temidden van rinkelende telefoons en afspraken had ik moeite om die op een rijtje te krijgen.
Een paar uur lijkt lang, maar is het niet. Tijdens het schrijven moet alle informatie goed in je hoofd hebben. Je moet weten wat je wil vertellen, hoe je bronmateriaal in elkaar zit en hoe je de informatie doceert. Voortdurend snuffel je in je aantekeningen, zoekend naar feiten en citaten. Schrijven gaat dus sowieso niet zo snel. Je moet doublures en tegenstrijdigheden vermijden, de balans in het oog houden en het verhaal sluitend maken.
Dat is zwaar zonder voldoende tijd en concentratie. Als lezer kun je het merken. Dit zijn de grootste bloopers:
-
Een onduidelijke kern. Het artikel staat vol informatie, maar wat er zo bijzonder aan is ontgaat de lezer.
-
De uitleg is overdadig of juist ondermaats. Sommige details zijn te veel uitgewerkt, andere zijn afgeraffeld.
-
De opbouw is scheef waardoor de saamhorigheid van de informatie ontbreekt.
Maar zelfs als een zeperd dreigt, zijn er uitkomsten. Ook die zet ik op een rij.
-
Begin bij het begin. Wat is er precies aan de hand? Open daar mee, daar kun je altid op terugvallen als het verhaal niet loopt.
-
Volg de sobere basisprincipes van een opbouw: wie, wat, wanneer, hoe en waarom. Hoe saai ook, dit maakt elk verhaal helder.
-
Houd het simpel en vermijd te veel details, die werken verwarrend.
-
Houd citaten kort. Ze zorgen voor onderbouwing, verstrooiing en soms verdieping, maar te lange citaten leiden de aandacht juist af.
-
Vermijd literaire hoogstandjes. Die mislukken finaal als de inspiratie onbreekt.
-
Houd de zinnen kort, dat voorkomt gewauwel.
-
Lees na het schrijven het verhaal hardop voor. Je hoort zelf wat er rammelt.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 26 June 2007
Gisteren heb ik mijn archief opgeruimd. Lege planken keken mij uitnodigend aan. Wat een ruimtelijk gevoel. Mijn interventie van gisteren was noodzaak, want er kon niks meer bij. Mijn archief is ongeveer anderhalf bij twee en bevindt zich achterin mijn kantoor. Mijn administratie van jaren staat er, er liggen stapels bladen waarin ik heb geschreven, mappen met knipsels, boeken, software, aantekeningen en nog wat onbestemde spullen. Zo heb ik nog een echt stempel waarmee ik mijn naam op facturen kan drukken.
Een aantal van die goederen moesten naar de berging. Dus haalde ik allerlei mappen en dozen tevoorschijn. Natuurlijk kijk je dan wat je zoal tegenkomt.
Uit een paar mappen gleden tientallen foto’s. Glanzende zwartwit exemplaren van A5-formaat met brede, witte randen. Daar was ik even stil van. Niet van de beelden, maar van het feit dat ik ze nog had.
De foto’s dateren uit de vroege jaren negentig, meer dan vijftien jaar geleden. Ze waren bedoeld voor een blad met een piepklein budget. Het inschakelen van fotografen of het gebruik van een beeldbank was geen optie. Omdat ik er toch iets van wilde maken sprokkelde ik her en der fotomateriaal bij elkaar dat ik voor een prikje kon gebruiken.
Ik ben echter al meer dan vijf jaar weg bij dat blad en het fotomateriaal is verouderd. Even heb ik staan kijken naar twee mannen die elkaar blijmoedig de hand drukten. De toenmalige voorzitter en een regionale leider die er maar niet in slaagde om de macht te grijpen. Alleen die ene foto die aan het stof van mijn archief onttrokken is, herinnerde nog aan hun onbeduidende machtsstrijd.
Ik heb alles weggesmeten en inmiddels zijn de prenten afgevoerd door de vuilniswagen. Waarom heb ik die plaatjes al die jaren bewaard? De kwaliteit was niet museumwaardig. Nostalgische betekenis ontbrak ook. Ze waren niet mijn eigendom, zo redeneerde ik destijds, waarna ik ze een plek heb gegeven.
Maar misschien was er nog een reden. Bewaren is ook een weigering om afscheid te nemen van het verleden. Het openhouden van een vluchtweg als de voorwaartse beweging niet bevalt.
Maar zonder onderhoud is de waarde van historie beperkt. Ik besefte dat toen ik naar die glimlachende mannen keek die hun hanengevecht verborgen achter een ferme handdruk. Zij zijn oud geworden, hun macht is vergaan en niemand herinnert zich nog wie zij waren. Eigenlijk maar goed dat ik zo’n klein archief heb. Zo blijft mijn geschiedenis noodgedwongen actueel.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 23 June 2007
Financiën baren een freelance journalist altijd zorgen, maar schenken soms ook vreugde. Vandaag meldde mijn financieel directeur (dat is mevrouw Vlaming) dat een klant een aantal bedragen op onze rekening had gestort.
Dat was dan snel. De onderliggende facturen dateren van begin deze maand. Er zijn opdrachtgevers die hun financiële verplichtingen minder voortvarend nakomen. Deze week nog had ik er bijvoorbeeld eentje gebeld. Waar blijft mijn geld, zo was vrij vertaald de kern van mijn boodschap.
Zo’n telefoontje is allerminst uitzonderlijk in mijn praktijk. Als een factuur langer dan een maand openstaat, onderneem ik een dergelijke actie. Ik laat me doorverbinden met de afdeling crediteurenadministratie en zeg dat er een factuur meer dan een maand open staat.
Sommige financiële medewerkers gaan daar uiterst zakelijk mee om. Ze informeren naar mijn rekeningnummer en kunnen binnen een minuut aangeven wanneer het geld komt. Die accuratesse komt meestal door ervaring. Het zijn de uitgeverijen die vaak te laat betalen en waar ik altijd achteraan moet rennen. De medewerkers ken ik al bij naam. Soms hebben we zelfs iets dat op een soort vriendschap lijkt. Zij kunnen het ook niet helpen, zeggen ze. De managers op de afdelingen tekenen de facturen te laat.
Maar veel financiële afdelingen zijn minder geroutineerd. “U moet bij de afdeling Debiteuren zijn”, zeggen ze soms in hun zalige onwetendheid. Waarna ik ze uitleg dat ik degene ben die geld krijgt, in plaats van zij.
Wanbetalers zijn een plaag voor freelancers. Soms heb je tienduizenden euro’s uitstaan die maar niet binnen willen komen omdat uitgeverijen zo laks zijn. In de vakantietijden is dat het ergste. Dan zijn financiële afdelingen onderbezet terwijl managers die facturen moeten tekenen op het strand liggen. Ik heb al meerdere keren meegemaakt dat de bodem van mijn portemonnee in zicht kwam.
Ik kan er maar niet aan wennen. Dat beeldscherm waar de pas gestorte bedragen maar niet willen verdwijnen. Ze blijven maar naar mij lachen. Het idee dat ik dit echt heb verdiend. Het vak dat ik heb gekozen loont echt. Dit is nog mooier dan kijken naar een aquarium.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 22 June 2007
Wat doe je als je interview op het laatste moment niet doorgaat en je deadline is aangebroken? Dat hangt af van de flexibiliteit van de redactie. Dik kans dat die je eruit kiepert. Maar als de redactie klein is en afhankelijk van freelance journalisten, kan het ook anders aflopen.
Gisteren had ik al een naar voorgevoel over het interview met een manager van een handelsketen. Vandaag bleek het ergste scenario bewaarheid. De man ging met vakantie, ik moest maar wachten. Ik had mijn bron te veel vrijheid gegeven, waarna hij er tussenuit is geknepen.
Als freelancer heb je dan twee keuzen. De eerste: jammer, maar ik kan niet leveren. Een slechte optie, want als freelance journalist ben je zo goed als je laatste artikel. Omdat die er niet is in dit geval, ben je dus niks waard.
Optie twee: ik zorg binnen de absolute deadline voor een alternatief. Een redactie in het nauw ziet dat graag. Ik heb dan ook voor deze oplossing gekozen.
Alleen is dan de vraag wie er binnen twee dagen een zinnig interview kan geven? Grotere interviews spreek je vaak een tijdje van tevoren af, minstens een week, soms vier dagen.
Wat ik nodig had was een bedrijf dat iets te vertellen had en dat ook een beschikbare spreekbuis had. Flink speuren in mijn netwerk dus. Welk bedrijf staat altijd open voor de pers? Wie is altijd goed voor een leesbaar verhaal?
Zulke bedrijven zijn er. Je merkt het als je de pr-medewerkers spreekt. Als die je altijd serieus nemen, altijd het gevoel geven dat ze je willen helpen en altijd slagvaardig zijn, dan kom je een heel eind. Bij een van deze bedrijven klopte ik aan om hulp. Binnen een uur nadat het vakantiedrama zich had voorgedaan, had ik een toezegging. Om twee uur meldde ik mij in Utrecht en om kwart over drie waren we klaar. Morgen tik ik het interview uit, maandag heeft de redactie het in het postvakje.
Ik houd er een gemengd gevoel aan over. Zo snel een interview van een paar pagina’s regelen, dat is journalistiek stuntwerk. Maar het blijft reparatiewerk. Hoe goed ook, reparatie is toch het gevolg van nalatigheid.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 21 June 2007
“We hebben het verzoek voor een interview besproken in het management en we willen meewerken.” Het bericht ontving ik tegen het einde van de werkdag op mijn voicemail. Eerlijk gezegd had ik deze reactie van de handelsketen wel verwacht. Bedrijven zeggen niet zo gauw nee tegen een interview.
Toch was ik er niet gerust op. “Dat interview zal bij mij moeten plaatsvinden”, zo ging de uitleg verder. “Daarvoor kun je contact opnemen met mijn secretaresse.”
Tijd voor alarmbellen. Secretaresses die de agenda beheren zorgen veel te goed voor hun baas. Moet die baas zelf de afspraak maken, dan wil hij nog wel eens een gaatje maken en een andere afspraak verzetten. Maar de secretaresse begint pas bij het eerstkomende gat in de agenda dat groot genoeg is.
Haast? Daar heeft de secretaresse niets mee te maken.
Maar het kan nog erger.
“De komende weken ben ik met vakantie, dus we moeten even kijken”, zo ging het verhaal verder.
Met vakantie, dan weet je het wel. Die heeft nog een paar dagen en die zitten propvol.
Mijn fout, ik heb er niet fel genoeg op gezeten. Eerst duurde het dagen voordat ik de juiste persoon had getraceerd, toen kostte het dagen voordat ik die man te pakken had gekregen, daarna wilde hij het verzoek per mail en tenslotte ging hij mijn toelichting met zijn directie bespreken.
Wil je een snelle afspraak en een prima interview, voer dan de druk op. Geen reactie na een dag? Klim dan weer in de telefoon. “Weet u al iets?”
Hoe meer je de bron opjaagt, hoe serieuzer hij wordt. Hij moet lijden en een prijs betalen die bestaat uit tijd, concentratie, energie of stress. Door zo’n offer leert hij zijn eigen informatie waarderen en wordt hij meer deelgenoot van het artikel.
Geen genade dus met je bronnen. Dat mag je ze niet aandoen als journalist.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 20 June 2007
Ik trof mijn afspraak op het terras, waar hij verdiept was in de krant. Maar zodra hij mij zag, sprong hij op en drukten wij elkaar hartelijk de hand. Wat een fijn weerzien.
Een deel van mijn tijd gaat op aan dit soort afspraken. Koffie, lunches en borrels met mensen waar ik alleen maar mee praat zonder dat ik er een letter over schrijf.
Vandaag trof ik een communicatieadviseur die ik ongeveer één keer per jaar ontmoet. Dit soort afspraken heeft geen agenda en geen duidelijk doel. Gen aantekeningen, geen informatie. Voor de uitwisseling van informatie bel of mail je. Pure tijdverspilling, zo lijkt het.
Toch zijn zulke ontmoetingen belangrijk. We vertegenwoordigen allebei bepaalde belangen. Hij staat voor een deel van het bedrijfsleven en ik voor een deel van de journalistiek. Dat zijn partijen die elkaar altijd opzoeken en die dus afhankelijk zijn van elkaar.
Dit soort momenten gebruik je om posities uit te wisselen en agenda’s af te stemmen. Tussen de roddels, de ditjes en de datjes en de kijk op de wereld peilen we hoe nodig wij de ander hebben, waar we op moeten letten en wat er speelt. We zorgen dat openstaande deuren open blijven. Achteloos worden soms wat vragen gesteld, telefoonnummers uitgewisseld of beloften gedaan voor het nasturen van informatie.
Ook al is er niks afgesproken, na een uurtje is de tijd om. Langer zitten dient geen doel en daar is tijd te kostbaar voor. Zo snel als we samen kwamen, zo rap gingen we uit elkaar. We zijn voor een jaar weer helemaal bij.
Door Henk Vlaming in Journalistiek bedrijven op 19 June 2007
“Jij werkt als freelancer dus niet met collega’s om je heen”, merkte de directeur op met wie ik vanavond aan tafel zat. Met een groep van zeven prikten we een vorkje in Amsterdam, de redactieadviesraad van het tijdschrift waarvan ik de hoofdredacteur ben.
Die man sloeg de spijker op zijn kop. Inderdaad werk ik als freelancer in eenzaamheid. Altijd alleen op mijn kantoortje, nooit omgeven door collega’s. Slechts af en toe heb ik een ontmoeting met een collega, maar dan moeten we dat wel speciaal afspreken.
“En hoe is dat?” zo vroeg de directeur door. Dus legde ik uit dat ik thuis een kantoor heb en dat werk en privé sterk met elkaar vervlochten zijn. Het hele gezin merkt dat ik vrij veel thuis ben, maar ook dat ik mijn werk meeneem het gezin in. Zit ik aan de keukentafel en mijn mobiele telefoon gaat, dan weten de kinderen als sinds mensenheugenis dat ze even stil moeten zijn. Huiselijk rumoer op de achtergrond klinkt niet zakelijk.
Tijd? Soms heb ik die niet. En ben ik tot diep in de nacht nog aan het werk, dan zit mijn vrouw achter haar pc of leest een boek, wachtend tot ik klaar ben. Soms zit ze zelfs naast mij.
Vaak kijken mensen mij meewarig aan als ik dit vertel. Wat een eenzaam beroep.
Maar zo ervaar ik mijn professie niet. Natuurlijk, als het druk is op mijn werk, is het druk in het hele huis. Loopt mijn werk niet, dan is mijn gefoeter hoorbaar.
Maar tegelijkertijd staan we als gezin dicht bij elkaar. Ik ben vaak thuis en iedereen beleeft mijn werk mee. Ik zit ook dicht op het leven van de anderen. Zo ben ik het gewend: druk, nooit af maar ook gezellig en intiem. Dat is helemaal geen eenzaam leven.
|